Logo VNK

menu

Columns

Het Feestje van Dumas

Al zou je willen, er was geen ontkomen aan. Vorige week opende in het Stedelijk Museum de grote overzichtstentoonstelling van het oeuvre van Marlene Dumas. Gepresenteerd als de culturele gebeurtenis van het jaar, werden de media er volledig door gedomineerd: voorpublicaties in kunsttijdschriften, een strategisch geplande uitzending van het interviewprogramma Collegetour, reportages in televisieprogramma’s als Opium en Kunststof TV, paginagrote recensies in de dagbladen en schrijver Joost Zwagerman in zijn reguliere kunstcollege bij De Wereld Draait Door. Iedereen die ook maar iemand is in de kunstwereld was onverdeeld enthousiast.

11 september 2014
Door Lieke Wijnia 

 

Dit feestje leek ruw verstoord te worden door het opiniestuk dat journalist Sander van Walsum onder de titel “Vinden jullie Marlene Dumas echt zo goed?” in de Volkskrant schreef. Een stuk bedoeld om te prikkelen en ik las het met genoegen. Niet omdat ik een hekel heb aan het werk van Marlene Dumas, integendeel. Maar als alle neuzen zo ontzettend dezelfde kant opstaan, is het ook wel eens fijn om een ander geluid te horen. Hoe vorm je een eigen mening als iedereen het met elkaar eens is? Prompt werden er de volgende dag maar liefst zeven ingezonden brieven (ongetwijfeld een kleine selectie uit een groot aanbod) afgedrukt. Vijf hiervan verwelkomden Van Walsums tegendraadse mening, twee wezen zijn argumenten af. Daarop volgden ingezonden stukken van Zwagerman en filosoof Maarten Doorman, die van Walsum van repliek dienden. Dumas-gate lijkt een feit.

Net als in de politiek en de wetenschap kunnen ook in de kunstwereld verschillende opvattingen prima naast elkaar bestaan. Sterker nog, dat zorgt juist voor een rijk debat. Van Walsum stelt dat recensenten die het hebben over de gelaagdheid van een kunstwerk en de worsteling van een kunstenaar, veel te eerbiedig en pretentieus over de kunstwerken spreken. Hij vindt juist dat het object voor zichzelf moet spreken, door de vaardigheid waarmee het gemaakt is en de schoonheid die het bezit. Volgens hem zoeken recensenten er te veel achter, waardoor ze vervallen in te vaag taalgebruik.

De argumenten die hij aandraagt zijn zeker niet allemaal even sterk, maar in de discussie over het werk van Dumas is het prettig om eens een ander geluid dan de loftrompet te horen. Van Walsum dwingt de recensenten die hij aanvalt tot een herformulering van hun argumenten. Dat is het fijne van een tegengeluid, er ontstaat de noodzaak om de eigen ideeën aan te scherpen en begrijpelijker te formuleren. In zijn reactie verduidelijkt Zwagerman wat hij bedoelt met de term gelaagdheid.

Voor Dumas zijn schijnbaar vaste betekenissen uiterst relatief; veel beelden uit de massacultuur zijn eerder verklonken met ons verlángen naar een betekenis, liefst zo eenduidig en vaststaand mogelijk, opdat we het onszelf niet al te moeilijk hoeven te maken. Dumas bevraagt en onderzoekt in haar kunst die verlangens. Die onderzoekingen maken veel van haar werken gelaagd.

Daarnaast reageert hij op Van Walsums oproep om toch niet zoveel achter de kunstwerken te zoeken. De interessantste kunst, zoals ook de interessantste romans en gedichten, roept vragen op. Wat is er tegen om die vragen onder woorden te brengen? Schaadt dat van Walsums genietingen van kunst? Het is duidelijk dat beide mannen geheel andere criteria hanteren in het beschouwen en waarderen van kunst. Van Walsum zoekt de betekenis van Dumas’ werk met name in ideeën over esthetiek, waar de recensenten die hij aanvalt vooral over achterliggende gedachten en kijkervaringen spreken.

Dit laat meteen het problematische karakter van veel discussies over kunst zien. Er kan gesproken worden over de intenties van de maker, het maakproces, de formele eigenschappen van het object, esthetische kwaliteiten, de maatschappelijke ontvangst van een kunstwerk en de ervaringen van de kijker. In al deze lagen kunnen antwoorden worden gevonden op de vraag wat een kunstwerk betekenisvol en waardevol maakt. Maar te vaak lopen deze verschillende niveaus door elkaar. Argumenten van het ene niveau worden met argumenten van het andere niveau bestreden. Door te benoemen dat je de weergave van de menselijke anatomie niet vindt kloppen, kun je een argument over de gelaagdheid van een schilderij niet weerleggen. Want die gelaagdheid gaat over het maakproces en de ervaring van de kijker, terwijl de representatie van de menselijke anatomie betrekking heeft op de intentie van de maker en de formele kwaliteiten van een kunstwerk.

Dit soort uiteenrafelen van interpretaties staat centraal tijdens het vak Hermeneutiek van Tekst en Beeld, dat ik momenteel samen met een collega-promovendus aan studenten Cultuurwetenschappen aan Tilburg University geef. Het gaat hierbij niet alleen om de manieren van interpreteren zelf, maar ook om het duiden van die interpretaties. Geen betere casestudie voor de actuele relevantie van de hermeneutiek dan de verwoede discussie over het werk van Dumas. Vragen over hoe betekenisgeving tot stand komt en wat dat zegt over zowel de kunstwerken als de interpretator zijn aan de orde van de dag. Hoe interessant is het om te zien dat met de publicatie van een tegendraads opiniestuk de duiding van algemeen heersende ideeën pas echt op gang komt. Zolang iedereen het met elkaar eens is, is hiervoor immers geen noodzaak.

Aan welke kant van het spectrum je ook staat – of je het werk van Dumas nu mooi, interessant of afschuwelijk vindt – het is alleen maar aan te moedigen dat er publiekelijk debat wordt gevoerd over een oeuvre van een prominent kunstenaar. Die nota bene ook zelf als interpretator moet worden gezien. In haar doeken interpreteert Dumas foto’s die op hun beurt een weergave (of eerste interpretatie!) zijn van actuele gebeurtenissen. Alle bedoelingen van Van Walsum ten spijt, heeft hij het feestje van Dumas alleen maar mooier gemaakt.

Lees hier het recensieoverzicht, het opiniestuk van Van Walsum, de mailwisseling tussen Volkskrant recensent Rutger Pontzen en Van Walsum, en de reactie van Zwagerman.

 

Lieke Wijnia (1985) is promovenda aan Tilburg University en doet onderzoek naar sacraliteit in de hedendaagse cultuur. Hiervoor doet ze veldwerk bij kunstenfestival Musica Sacra Maastricht. Daarnaast verricht ze onderzoek naar de aanwezigheid van het Vaticaan op de Biënnale van Venetië bij de onderzoeksgroep Religion, Art & Conflict van het Courtauld Institute of Art in Londen. Ze behaalde een MA Cultureel Erfgoed aan de Universiteit Utrecht en een MA French Paint and Politics (1847-1880) aan het Courtauld Institute of Art.

Blog: liekewijnia.wordpress.com

René Lalique, broche met korenbloemen, ca. 1904, Rijksmuseum Amsterdam.