Logo VNK

menu

Columns

De wijze woorden van Claudine Chavannes

Bij een volgend feestjaar van de VNK zou het wel eens interessant kunnen zijn om te onderzoeken wat ons ooit heeft doen besluiten om kunstgeschiedenis te gaan studeren. Een rondje langs collega-kunsthistorici leverde, heel kort door de bocht, het volgende op: “de Arnolfini’s die ik als kind zag in de National Gallery – ik zal die ervaring nooit vergeten”, “Giotto in Italië – ik besloot mijn studie econometrie aan de wilgen te hangen”, “Rembrandt, meteen Rembrandt, en dat is altijd zo gebleven”, “De Etrusken – die taal wilde ik leren.”

6 november 2014
Door Gerdien Verschoor

Dat laatste wist ik heel zeker, en de profetische waarschuwing die Claudine Chavannes ons gaf tijdens ons allereerste college – Leiden, maandag 9:15, Christelijke ikonografie – maakte dan ook geen enkele indruk. Ze zei ons dat ons beeld van de kunst en de kunstgeschiedenis al in de eerste weken van onze studie razendsnel zou veranderen. Kwamen we hier om het Impressionisme te bestuderen? We zouden eindigen bij de Christelijke ikonografie, zoals haarzelf was overkomen. Kwamen we hier om ons te specialiseren in de Caravaggisten? We zouden zeker eindigen bij De Stijl, rococo-decoraties in Franse paleizen, of vroeg-Romaanse beeldhouwkunst. Zelf zat ik daar natuurlijk in mijn vuistje te lachen, in die ongemakkelijke collegebanken. Ik wist immers allang dat ik Etruskoloog zou worden!

In hetzelfde onderzoek van de VNK zou het ook boeiend kunnen zijn om erachter te komen hoe diep die eerste indruk, dat eerste inzicht in ons wortelde en in hoeverre dat onze verdere weg in de kunstgeschiedenis bepaalde. Bleven de Arnolfini’s, de Rembrandts of de Etrusken ons pars pro toto voor het schone, het ware en het goede? Of waren het ervaringen die weliswaar een kolossale indruk maakten, maar die ons brein, of, zo je wilt, ons hart, openden voor de schoonheid en lelijkheid van het vele dat we in ons leven nog te zien zouden krijgen? En als Rembrandt de kern is van je kunsthistorische bestaan, kun je je dan spontaan laten ontroeren door het Zwarte Vierkant van Kazimir Malevich, of heb je dan een goede tekst van een gewaardeerde collega nodig om dat schilderij op waarde te kunnen schatten?

Het mooiste van ons vak is denk ik, dat dàt nu juist zo onvoorspelbaar is. Die Arnolfini’s of dat Etruskische handschrift hebben ooit een kern in ons aangeboord die ons op de gekste momenten ontvankelijk maakt voor de gekste dingen. En we blijven er naar zoeken, naar een herhaling van die eerste ervaring. Daarom lopen we musea in en uit, leggen we plaatjesverzamelingen aan, stouwen we onze huizen vol met boeken. Gedreven als we zijn, willen we niets liever dan die onvergetelijke ervaring delen met de ander. Tijdens de colleges die we geven, de tentoonstellingen die we maken, de artikelen die we schrijven.

Overigens, Claudine Chavannes heeft natuurlijk gelijk gekregen. Ik ben geen Etruskoloog geworden.

En jij?

Gerdien Verschoor is schrijver en directeur van CODART, het internationale netwerk van museumconservatoren van Nederlandse en Vlaamse kunst. In januari verscheen haar tweede roman De kop van Oskar Wronski, bij uitgeverij AtlasContact.

Zie ook www.gerdienverschoor.nl en www.codart.nl

Anoniem, Japon (manteau) met sleep, ca. 1750, Rijksmuseum Amsterdam.