verspronck

Prijzen: Mr. J.W. Frederiksprijs 2006

 

De Mr. J.W. Frederiksprijs 2006, groot 2500 Euro, betreffende Nederlandse publicaties op het gebied van de kunstnijverheid sinds 2003, is toegekend aan dr. Yvonne Brentjens voor haar recente publicaties over twee belangrijke kunstenaars uit de periode rond 1900: G.W. Dijsselhof (1866-1924). Dwalen door het Paradijs, (verschenen in 2002), in 2004 verdedigd als proefschrift met een uitvoerig aanvullend essay Moraalridders en monniken-werk; en daarnaast K.P.C. de Bazel (1869-1923). Ontwerpen voor het interieur (2006).

Juryrapport Mr. J.W. Frederiksprijs 2006:

De jury van de Mr. J.W. Frederiksprijs had dit keer de keus, niet alleen uit een zeer divers aanbod, maar de vier publicaties vanaf 2003 waartussen uiteindelijk is gekozen, representeren op verrassende wijze de grote diversiteit en breedheid van het vakgebied kunstnijverheid, zowel wat betreft de deel-specialismen als qua aanpak en methode. De werkmeesters van Bennewitz en Bonebakker : Amsterdams grootzilver uit de eerste helft van de 19de eeuw, door Barend van Benthem, is een uitputtend onderzoek van zowel de vele bronnen als de zilveren objecten zelf, met grote aandacht voor zowel de productie als het volgens de functionele typen ingedeelde materiaal. Johan de Haans ‘Hier ziet men uit paleizen’: het Groninger interieur in de zeventiende en achttiende eeuw focust voor het eerst op interieur en meubilair in een provincie ver van de randstad gelegen en laat op voorbeeldige wijze het eigen karakter zien dat uit een dergelijke studie kan blijken. Adri van der Meulen en Paul Smeele bieden in hun De pottenbakkers van Friesland 1750-1950, ondanks het incidentele karakter van de beschikbare bronnen, een knap beeld van het eenvoudige Friese pottenbakkersgoed, waarin thema’s als productie, ondernemerschap en assortiment evenzeer aan bod komen als het aardewerk zelf. Toch is uiteindelijk de prijs toegekend aan de vierde kandidaat: Yvonne Brentjens.
Binnen een tijdsspanne van vier jaar heeft Yvonne Brentjens ons verrast met twee substantiële boeken over ontwerpers die allebei werkzaam waren aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Het eerst boek was G.W. Dijsselhof (1866-1924). Dwalen door het Paradijs, dat verscheen in 2002. De tweede studie betreft K.P.C. de Bazel en heeft als volledige titel K.P.C. de Bazel (1869-1923) Ontwerpen voor het interieur; het boek verscheen begin dit jaar. De studie over Dijsselhof werd als haar dissertatie verdedigd op 21 januari 2004 aan de Leidse Universiteit. Voor dit specifieke doel schreef zij ter aanvulling hierop een uitvoerig essay Moraalridders en monniken-werk. Hierin wordt in zes hoofdstukken nader ingegaan op de inspiratie die Gerrit Dijsselhof en zijn tijdgenoten putten uit de Middeleeuwse cultuur. Aan beide boeken werden bovendien monografische tentoonstellingen gekoppeld in het Gemeentemuseum in Den Haag en het Drents Museum in Assen.
De jury van de Mr. J.W. Frederiksprijs vindt dit een fenomenale prestatie en een volkomen terechte reden om aan Yvonne Brentjens de prijs voor het jaar 2006 te verlenen. Het verheugt de commissie bovendien dat hiermee eindelijk weer een studie – twee studies dus eigenlijk - wordt bekroond op het gebied van de Nederlandse kunstnijverheid en interieurkunst uit de zo belangrijke periode rond de vorige eeuwwisseling, wat sinds 1981 niet meer was gebeurd.
Beide boeken betreffen gerenommeerde nijverheidkunstenaars uit de periode van de Nieuwe Kunst, twee kunstenaars waarover bovendien al veel geschreven werd. Dit geldt zeker voor De Bazel, die vooral als architect al veel aandacht kreeg in de afgelopen decennia. Op de dissertatie van Wessel Reinink uit 1965, volgden aanvullende deelstudies. Yvonne Brentjens is in staat gebleken om door middel van uitvoerig archiefonderzoek aan al die reeds aanwezige kennis nog heel veel belangwekkends toe te voegen. Dat geldt zowel voor Dijsselhof als voor De Bazel.
Maar, dat is in de ogen van de jury niet de voornaamste reden om haar de prijs toe te kennen. Als freelance kunsthistorica - niet gebonden aan een universiteit of museum - verrichtte zij beide onderzoeken weliswaar in het kader van een tentoonstelling, maar koos zij volledig zelfstandig haar eigen benadering en invalshoek. Onze grootste bewondering gaat uit naar de wijze waarop Yvonne Brentjens de kennis over de twee ontwerpers heeft weten te combineren met haar nieuwe onderzoeksresultaten en dit vervolgens tezamen op een hoger plan heeft gebracht. Beide boeken overstijgen hierdoor de gewone kunsthistorische monografie; het zijn twee rijke, cultuurhistorische studies geworden.
In het geval van Dijsselhof heeft de schrijfster, vanwege haar aandacht voor de middeleeuwse inspiratiebronnen van de kunstenaar, zijn werk in een breed ideeënhistorisch kader kunnen vatten. In het geval van De Bazel, waar bijvoorbeeld uitvoerig ingegaan wordt op zijn opdrachtgevers, zou men eerder van een cultuursociologisch kader kunnen spreken. Yvonne Brentjens is in staat gebleken het door haar minutieus doorgenomen archiefmateriaal, mede door haar grote belezenheid wat betreft eigentijdse publicaties, te koppelen aan de bestaande kunsthistorische, literatuurhistorische, filosofische, religieuze en politieke literatuur en dit vervolgens op een zinvolle manier in verband te brengen met het werk van de twee kunstenaars. De stijl, de thematiek en de ontwikkeling van hun oeuvre worden hiermee begrijpelijk gemaakt.
Maar dit alles was niet zo goed geslaagd als Yvonne niet begiftigd zou zijn geweest met een buitengewoon vlotte pen. Het is haar namelijk ook opmerkelijk goed gelukt om de complexe materie op een goed leesbare, aantrekkelijke manier te formuleren.
De boeken over Dijsselhof en De Bazel zijn geen praktische handboeken of naslagwerken in de traditionele zin, maar prettig leesbare monografieën die werkelijk inzicht verschaffen in de manier van werken van de kunstenaar en die hun werk in een brede context plaatsen. Wanneer er meer kunsthistorische onderzoekers net als Yvonne Brentjens in staat zouden zijn om hun bevindingen op een vergelijkbare plezierige manier toegankelijk te maken, zou ons vak daarmee zeer gebaat zijn.

De jury van de Mr. J.W. Frederiksprijs 2006:
mevr.prof.dr. C.W. Fock, hoogleraar kunstnijverheid, universiteit Leiden, voorzitter
dr. J.R. Ter Molen, directeur Museum Paleis Het Loo, secretaris
B. Dubbe, penningmeester
dr. R.J. Baarsen, conservator kunstnijverheid, Rijksmuseum, Amsterdam
mevr.dr. M. Simon Thomas, conservator kunstnijverheid Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam

terug