
Prijzen: Juryrapport van De Jan van Gelderprijs 2009
Toen ik hier een jaar geleden stond te beweren dat veel te weinig jonge kunsthistorici de kans krijgen gedegen en diepgravend onderzoek te doen om dat vervolgens te kunnen publiceren, kon ik niet bedenken dat de jury van de Jan van Gelderprijs dit jaar een vijftal erg goede publicaties onder ogen zou krijgen die ons aardig wat hoofdbrekens zouden kosten. Uiteindelijk hebben we dan ook besloten om aan twee auteurs de prijs toe te kennen, namelijk Wibo Bakker met Droom van Helderheid. Huisstijlen, ontwerpbureaus en modernisme in Nederland: 1960-1975 (ongepubliceerd proefschrift, Universiteit Utrecht) en Thijs Weststeijn met de handelseditie van zijn proefschrift: The Visible World. Samuel van Hoogstraten's Art Theory and the Legitimation of Painting in the Dutch Golden Age (Amsterdam University Press, 2008).
Wibo Bakker (1974) ging na zijn opleiding tot grafisch ontwerper aan de Hoge School voor de Kunsten in Arnhem Taal en Cultuurstudies studeren. Daarna werd hij aangesteld als Aio aan de Universiteit Utrecht. Hij promoveerde in juni 2009. In zijn proefschrift gaat hij in op de ontwikkeling van de huisstijl in Nederland tussen 1960 en 1975. In de jaren zestig voerden KLM, DSM, SHV (Steenkolen Handels Vereeniging), Albert Heijn en Nederlandse Spoorwegen als eerste grote bedrijven in Nederland huisstijlen in. Grafisch ontwerpers meenden dat huisstijlen een positieve uitwerking op de maatschappij als geheel konden hebben, terwijl de bedrijven zelf de huisstijl vooral zagen als een manier om hun imago te verbeteren. De huisstijlen van grote bedrijven in deze periode waren de visuele manifestatie van de moderne industriële natie die Nederland na de Tweede Wereldoorlog was geworden. Veel grote huisstijlen werden ontworpen door de Nederlandse bureaus Tel Design en Total Design. Hieraan waren ontwerpers verbonden als Wim Crouwel en Gert Dumbar. Wibo Bakker stelt dat de huisstijlen uit de jaren zestig zich kenmerkten door hun modernistische karakter. Ontwerpers hoopten dat hun huisstijlen communicatie effectiever zouden maken en een positieve uitwerking zouden hebben op de maatschappij als geheel. Tegenover hun opdrachtgevers benadrukten ze vooral de huisstijl als een vorm van normalisatie. Bedrijven daarentegen zagen huisstijlen in essentie als een manier om hun imago positief te beïnvloeden. Nederlandse ontwerpbureaus stonden kritisch tegenover deze marktgerichte manier van denken. Het Engelse ontwerpbureau AID – dat de marktgerichte benadering van huisstijlen wél overnam – groeide uit tot een belangrijke concurrent van de Nederlandse bureaus. Begin jaren zeventig ontwikkelde de publieke opinie een negatieve houding ten aanzien van het bedrijfsleven. Ook Nederlandse ontwerpers gingen hier in mee, zo constateert Bakker. Tegelijkertijd kwam de modernistische ontwerpbenadering in de ontwerpwereld onder druk te staan. Ontwerpbureaus gingen zich in toenemende mate richten op de publieke sector en de rijksoverheid.
Vraagstelling in dit onderzoek is: hoe verliep de ontwikkeling van grafische betekenissystemen in Nederland tussen 1960 en 1995? Deze ontwikkeling wordt inzichtelijk gemaakt door de voorgeschiedenis van deze systemen, het ontwikkelingsproces van deze systemen, de theorievorming over deze systemen, en de maatschappelijke context waarbinnen deze systemen werden gerealiseerd, te onderzoeken. Cases die hierbij behandeld worden zijn o.a. NS, Albert Heijn, KLM, PTT, het Ministerie van Justitie en de Rabobank.
Thijs Weststeijn, eveneens uit 1974, studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en is daar nu werkzaam als docent. Ook zijn promotie deed hij aan deze universiteit met uitstapjes naar de Getty en de University of London. Zijn publicatie behandelt de geschriften van de schilder en dichter Samuel van Hoogstraten (1627-1678), leerling van Rembrandt, en verklaart zijn gebruik van schilder thema’s en theorieen uit de Nederlandse zeventiende eeuw. Van Hoogstraten baseerde zijn gedachten zowel op een verscheidenheid van literaire, filosofische en artistieke bronnen, als op historische en reisverslagen, bij het schrijven van Inleyding tot de Hooge Schoole der Schilderkonst, anders de zichtbaere werelt een dwarsdoorsnede van de algemene zeventiende eeuwse visie op kunst in Holland. Hoewel verschillende generatiegenoten van Van Hoogstraten hebben geschreven over de beeldende kunsten, staan de 17de-eeuwse Nederlanden niet bekend om een coherente kunsttheorie. Weststeijn beoogt dit beeld bij te stellen in zijn veelomvattende studie. De kleurrijke Samuel van Hoogstraten was er voortdurend op uit zijn persoonlijk aanzien en dat van zijn artistieke activiteiten te vergroten. Zijn kunsttheoretische werk werd in het verleden beschouwd als een amalgaam van gemeenplaatsen en verwijzingen naar klassieke bronnen, waarmee de auteur vooral zijn eigen gestudeerdheid wenste te etaleren. Thijs Weststeijn stelt dit beeld ter discussie. Zijn boek laat overtuigend zien hoe Van Hoogstratens ‘Inleyding’ is geworteld in de traditie van de klassieke retorica en filosofie, en de ambitie heeft het aanzien van de schilderkunst te verhogen. Door het traktaat te plaatsen in de 17de-eeuwse literaire en intellectuele context, maakt Weststeijn duidelijk dat de auteur met al zijn geleerde aanhalingen aansluit bij de retorische vorm van de zogenaamde epideiktische redevoering, een tekst waarvan het onderwerp op ostentatieve wijze, zo aantrekkelijk mogelijk wordt gepresenteerd. De schilderkunst wordt nadrukkelijk gepositioneerd als een van de, aan het intellect ontspruitende vrije kunsten, de artes liberales. De rode draad bij Weststeijn vormt het concept ‘de zichtbaere werelt’ uit Van Hoogstratens ondertitel. Essentieel in de ‘Inleyding’ is de opvatting van een ‘volmaeckte Schildery als een spiegel van de Natuer’, en van de schilderkunst als een ‘wetenschap, om alle ideeën, ofte denkbeelden, die de gansche zichtbare natuer kan geven, te verbeelden’.
De werken van Bakker en Weststeijn zijn helder geschreven en maken ingewikkelde materie inzichtelijk voor de lezer. Hun benadering van het onderwerp verschilt echter wezenlijk.
Bakker begeeft zich op onontgonnen terrein en maakt gebruik van uitgebreid bronnenmateriaal dat nog niet eerder op deze wijze is belicht. Daarbij moeten we hem complimenteren met zijn volharding in het speuren naar materiaal. Vooral het doorlezen van oeverloze notulen van managementteams op zoek naar uitspraken over huisstijlen zal geen sinecure zijn geweest. Hoewel grote Nederlandse ontwerpers, als Wim Crouwel, al regelmatig onderwerp zijn geweest van monografieën, is niet eerder een dergelijke scope losgelaten op de ontwikkeling van huisstijlen in Nederland. Een veelheid aan bronnen, waaronder ook interviews met betrokkenen, is gebruikt om het verhaal te vertellen. Bakkers onderzoek levert een prachtige basis voor verder onderzoek. Zijn proefschrift zal in de komende jaren als bron gebruikt worden waar men nog in lengte van dagen op kan terug grijpen.
Hoe anders was de werkwijze van Thijs Weststeijn die een onderwerp ter hand nam waar al vaak over is geschreven en meer dan eens denigrerend ter zijde geschoven. Een welbekend onderwerp binnen de kunstgeschiedenis dat hij van een geheel nieuwe invalshoek voorzag waardoor met verse waardering naar Hoogstratens ‘Inleyding’ gekeken kan worden. Net als Bakker, is Weststeijns blik zeer ruim en de jury was onder de indruk van de veelheid aan bronnen en teksten die gebruikt zijn om zijn betoog te ondersteunen. Weststeijns handelseditie zal over 50 jaar nog steeds als kernstudie over kunsttheoretische literatuur in de Gouden Eeuw worden beschouwd.
Naar onze mening leveren beide auteurs met hun onderzoek een onmisbare bijdrage aan de ontwikkeling van de kunstgeschiedenis waarvan anderen kunnen profiteren en leren.
Mayken Jonkman, voorzitter jury Jan van Gelderprijs
Jury van de Jan van Gelderprijs:
Jeroen Goudeau, universitair docent van de geschiedenis van de bouwkunst nieuwere tijd, Universiteit Nijmegen
Mayken Jonkman, conservator negentiende-eeuwse kunst, RKD Den Haag (voorzitter)
Pieter Roelofs, conservator zeventiende-eeuwse schilderijen, Rijksmuseum Amsterdam
Dirk Torenvlied, medewerker bibliotheek RKD Den Haag
Marguerite Tuijn, freelance-kunsthistoricus
Patricia van Ulzen, feelance-kunsthistoricus en docent aan de Open Universiteit