verspronck

Prijzen: Juryrapport Jan van Gelderprijs 2011

 

Juryrapport Jan van Gelderprijs, uitgesproken tijdens de Kunsthistorische Dag van de VNK op 11 november 2011, door juryvoorzitter Terry van Druten

Waar tussen kiezen: een proefschrift dat enig in zijn soort is? Een onderzoek waar vanaf nu niemand meer omheen kan? Of een boek dat kan gelden als uithangbord van de kunstgeschiedenis? Dit was kort gezegd de keuze waarvoor de jury van de Jan van Gelderprijs dit jaar stond bij het uitreiken van deze prijs voor een bijzonder onderzoek door een jonge kunsthistoricus. Ik zal alle drie de genomineerde studies kort bespreken.

Als eerste dat van Inge Broekman, geboren in 1981. Haar proefschrift Constantijn Huygens, de kunst en het hof (Universiteit van Amsterdam, 2010) bestaat in feite uit het verslag van een minutieuze en systematische zoektocht naar de plaats van de kunsten in het geschreven werk van de alleskunner, diplomaat en stadhouderlijk secretaris, Constantijn Huygens. Broekmans werk is een gedegen onderzoek, dat – hoewel er al eerder uitvoerig naar Huygens is gekeken – nog niet eerder zo systematisch is verricht. Haar conclusies zijn helder en eenduidig, zij het helaas – zo gaat dat soms met onderzoek – niet spectaculair: Huygens’ rol in de kunsten aan het stadhouderlijke hof was beperkt, en zijn kennis en interesses op dit gebied waren dat ook. Zijn eigen kunstcollectie beperkte zich hoofdzakelijk tot portretten van familie en bekenden, die in eerste instantie verzameld werden met het oog op verhoging van de eigen status. Het siert Broekman echter dat ze deze conclusies niet verder heeft opgerekt of het belang ervan heeft aangezet. In lijn met andere recente bevindingen is Huygens tot menselijke en pragmatisch handelende proporties teruggebracht. Zeker vanwege het volledige overzicht van alle fragmenten uit het dichtwerk, correspondentie en andere stukken waarin Huygens zich uitlaat over de kunsten, zullen toekomstige onderzoekers dan ook niet om dit proefschrift van Inge Broekman heen kunnen.

De tweede genomineerde is Merlijn Hurx, geboren in 1981, met zijn proefschrift De particuliere bouwmarkt in de Nederlanden en de opkomst van de architect (1350-1530). (Technische Universiteit Delft, 2010)
Het gebeurt maar eens in de zoveel tijd dat er op het gebied van de middeleeuwse architectuurgeschiedenis belangrijke inzichten worden toegevoegd. Deze dissertatie doet dat, zowel in de breedte als in de diepte. Dat mag als een waagstuk worden opgevat, want kritiek ligt dan snel op de loer. In dit geval overtuigt het resultaat echter zeer. Hurx zet groot in door het behandelen van een groot gebied – de gehele Nederlanden– en een ruime periode – de twee eeuwen tussen 1350 en 1530. Deze periode van transitie en culturele eenheid wordt afgezet tegen de gelijktijdige situatie elders in Europa, met name in Italië met als brandpunt Florence. Hurx bespreekt daarbij de veranderende rol van de architect en signaleert dat de voornaamste kentering niet pas plaatsvond in de vijftiende en zestiende eeuw in Italië, maar reeds ruim een eeuw eerder èn in het noorden. Bovendien plaatst en bespreekt hij deze ontwikkeling in het bredere verband van het bouwvak. In de organisatie van de uitvoeringspraktijk ligt volgens Hurx namelijk de verklaring voor de door hem gesignaleerde ontwikkeling, wat hij aan de hand van een groot aantal schriftelijke bronnen en gebouwde voorbeelden laat zien.Hurx heeft voor zijn onderzoek veel van zulke bronnen bestudeerd. Allereerst natuurlijk de reeds bestaande literatuur en bronnenpublicaties. Daarnaast heeft hij een reeks archieven intensief bestudeerd op het punt van bouwrekeningen en tekeningen, waarbij veel nieuw materiaal naar boven is gekomen. Tenslotte heeft hij – en dat is naar mening van de jury een grote verdienste voor een kunsthistoricus – ook een aantal gebouwen zelf bevraagd door gerichte opmetingen van bijvoorbeeld detailleringen en profileringen.Deze studie zal volgend jaar worden gepubliceerd en dat is meer dan terecht. Het betreft een specialistisch en uitgebreid onderzoek, waarbij de nodige voorkennis gevraagd wordt om de werkelijke portee ervan te doorgronden. Niettemin levert het interessant en onderhoudend leesvoer, waarvan het kunsthistorisch belang in de komende jaren zal blijken.

Dit laatste was de afgelopen periode al het geval bij de derde nominatie, de biografie De eeuwigheid verzameld. Helene Kröller-Müller 1869-1939 (uitgeverij Bert Bakker, 2010) door Eva Rovers, geboren in 1978. 
De biografie is een zeer dankbaar genre, maar ook is het een gevaarlijk genre. Na jarenlang beschouwd te zijn als wetenschappelijk minder vruchtbaar, heeft de biografie recentelijk een snelle comeback gemaakt. Het schrijven van een goede biografie is echter allerminst makkelijk. Want wat is goed? Een interessante persoonlijkheid in zijn historische context neerzetten en duiden; het materiaal volledig beheersen zonder je erdoor te laten overvleugelen; kunnen kiezen uit het beschikbare materiaal en in die keuze evenwicht bewaren; distantie houden tot de persoon die je bestudeert, geen hagiografie schrijven; en bovenal: leesbaar, liefst zelfs meeslepend schrijven. Dat is een hele waslijst, die nog gemakkelijk aangevuld zou kunnen worden. Maar nu is er een biografie die aan al deze eisen en wensen voldoet en dat is de handelsversie van het proefschrift van Eva Rovers.De opzet van dit boek is strikt chronologisch en het verhaal is klassiek van opzet – tot zover weinig opzienbarends. De grote kunst is dat het eigenlijk bijzondere pas daarbinnen plaatsvindt. Het verhaal van Hélène Kröller-Müller is een verhaal geworden van een beroemde persoonlijkheid met een centrale positie in de Nederlandse 20e-eeuwse kunstgeschiedenis, verzamelgeschiedenis en museumgeschiedenis. Een vrouw met een voorbeeldfunctie voor hedendaagse verzamelaars, die echter onsympathiek blijkt in haar privéleven en vaak zeer eigengereid optrad.Rovers kreeg voor het schrijven van dit verhaal zeer veel en zeer mooie bronnen tot haar beschikking, waaronder ruimhartige toegang tot de archieven van Museum Kröller-Müller. Zo bezat zij een goudmijn aan materiaal waaruit zij effectief en beredeneerd heeft weten te kiezen en in te schiften. Het resultaat is een boek dat niet alleen inzicht geeft in de persoon Hélène Kröller-Müller, maar ook brede terreinen om haar heen bestrijkt. Waarbij dit boek zich haast achteloos uitstrekt over de grenzen van de kunstgeschiedenis tot in het sociale en politieke.En dit alles zonder aan leesbaarheid in te boeten. Steker nog, Rovers maakt haar onderwerp toegankelijk voor een veel breder publiek dan enkel kunsthistorici zonder dat zij op de kunsthistorische inhoud inlevert. Doe het haar bijvoorbeeld maar eens na: de vage theorieën van kunstpaus Bremmer zo helder uiteenzetten als zij dat doet. En dit is wellicht dan ook de grootste verdienste van Rovers' onderzoek voor ons vak. Zoals één van de juryleden opmerkte: dit boek is een uithangbord voor de kunstgeschiedenis. Een werk dat de afgelopen tijd al veel aandacht heeft gekregen, maar naar mening van de jury niet genoeg geprezen kan worden. Zodoende dat de Jan van Gelderprijs 2011 unaniem wordt toegekend aan Eva Rovers.

Tot slot wil de jury graag nog opmerken dat uit de nominaties van dit en vorige jaren de indruk zou kunnen ontstaan dat de Jan van Gelderprijs enkel bedoeld is voor dissertaties en daadwerkelijk gepubliceerde werken. Echter ook kortere studies en nog ongepubliceerd onderzoek komt in aanmerking. Wat telt is of een jonge kunsthistoricus, niet ouder dan 35 jaar, een onderzoek heeft afgeleverd waarvan de kwaliteit, de diepgang en de vraag of het een vernieuwende of originele bijdrage betreft aan ons vak, hartgrondig kan worden beantwoord met ‘ja’.

Terry van Druten

Juryvoorzitter Jan van Gelderprijs 2011


Namens de juryleden:
Jeroen Goudeau
Roman Koot
Pieter Roelofs
Margueritte Tuijn
Patricia van Ulzen

terug