
Prijzen: Juryrapport Karel van Manderprijs 2011
Juryrapport van de Karel van Mander-Prijs 2011, uitgesproken op 11 november 2011 tijdens de jaarvergadering van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici, Haarlem.
Ieder jaar reikt een jury van specialisten, die telkens door het Bestuur van de Vereniging van Kunsthistorici voor die gelegenheid wordt samengesteld, de zogenoemde Karel van Mander-Prijs uit voor de beste wetenschappelijke publicatie betreffende een bepaalde (kunst)historische periode. Deze periode is gelieerd aan de jaarlijkse kunsthistorische bibliografie; dit jaar stonden publicaties over de beeldende kunst en kunstnijverheid uit de periode 1850-heden centraal met een totaal van 832 titels. Deze titels hadden alle betrekking op de jaren 2004-2009.
De Jury 2011 bestond uit Titus Eliëns (Rijksuniversiteit Leiden en Gemeentemuseum in Den Haag), Saskia van Kampen (Museum Boijmans Van Beuningen te Rotterdam), Peter de Ruiter (Rijksuniversiteit Groningen), Margriet Schavemaker (Stedelijk Museum te Amsterdam) en stond onder voorzitterschap van Claudine Chavannes-Mazel (Universiteit van Amsterdam), tevens voorzitter van de VNK, met als secretaris Esther Dieltjes, bestuurslid VNK.
De jury hield de volgende criteria ter beoordeling aan: het onderzoek moet volledig door de auteur zelf zijn uitgevoerd en mag niet voortkomen uit bijvoorbeeld een universitaire werkgroep; de publicatie moet getuigen van een originele benadering van het vakgebied en vernieuwend zijn wat betreft aanpak, nieuwe inzichten opleveren, exemplarisch zijn met als basis grondig onderzoek. Ten slotte is de toegankelijkheid van de schrijfstijl een wezenlijk beoordelingscriterium.De juryleden moesten erkennen dat het aantal publicaties vergeleken met de bibliografie uit 2005 aanzienlijk kleiner was; destijds betrof het 3353 titels. Dit grote verschil in aantal, zo verduidelijkt inleider Ton Geerts heeft te maken gehad met de selectie die de samensteller van de bibliografie heeft gehanteerd. De kwaliteit van de publicaties was echter niet minder groot, en tot hun vreugde wist de jury ook dit jaar het schaap met vijf poten te vinden.
De procedure ging als volgt: uit de ruim 800 titels werd een longlist samengesteld. Alle korte artikelen vielen af, alsook publicaties waar juryleden zelf aan hadden meegewerkt. Tentoonstellingscatalogi en redactionele bijdragen kwamen bij uitzondering in aanmerking. Publicaties uit deze longlist werden vervolgens door ieder afzonderlijk jurylid geprioriteerd en teruggebracht tot een te overzien aantal van 13. De jury kwam vervolgens tweemaal bijeen: allereerst om uit de gekozen 13 titels een shortlist van 5 titels samen te stellen en daarna nog eens om na lezing van de genomineerde publicaties de uiteindelijke winnaar te kiezen. Uit deze titellijst valt op te maken dat er inderdaad nieuwe terreinen zijn betreden, zoals dat van de biografie en de positie en het werkveld van vrouwelijke kunstenaars in de door mannen gedomineerde kunstwereld. De shortlist bestond uit 5 titels. In alfabetische volgorde zijn deze:
1. Balk, Hildelies, De kunstpaus: H.P. Bremmer 1871-1956, Bussum 2006
Het genre van de biografie beheerst Balk uitstekend. Dit boek is een knap staaltje werk, waar veel onderzoek aan ten grondslag ligt en laat zich bijna lezen als een roman. Men leert H.P. Bremmer, die onder andere kunstadviseur was van Helene Kröller-Müller, kennen als een deskundig criticus en estheet van beeldende kunst, maar ook als iemand die precies wist wat hij wel en niet moest doen om een cliëntèle aan zich te binden. Bremmers denkwereld en zijn manier van handelen komen mooi tot uitdrukking in dit zorgvuldig gecomponeerde boek.
2. Bax, Marty, Het web der schepping. Theosofie en kunst in Nederland. Van Lauweriks tot Mondriaan, Amsterdam 2006
Marty Bax verrichtte pionierswerk. Dit boek geldt inmiddels als een standaardwerk op het gebied van de relatie tussen theosofie en beeldende kunst in de jaren tussen omstreeks 1850 en 1920. Er ligt zeer veel en uitvoerig onderzoek aan ten grondslag. Omdat er zoveel kunstenaars behept waren met de theosofische beginselen en de beeldende kunstproductie in die jaren er sterk door is beïnvloed, kan deze studie als zéér welkom worden beschouwd.
3. Groot, Marjan, Vrouwen in de vormgeving in Nederland, Rotterdam 2007
Middels uitvoerig archiefonderzoek naar zowel de sociaalhistorische context waarin vrouwen werkzaam waren, alsook naar de kunsthistorische context van hun werk biedt de auteur een nieuw perspectief op de geschiedenis van vormgeving en design. De publicatie bevat niet alleen een schat aan gegevens over vrijwel alle vrouwelijke kunstenaars die in de periode 1880-1940 werkzaam zijn geweest, maar stelt ook definitief het beeld bij dat de vormgeving van deze jaren een zaak van mannen was. De publicatie is voorzien van een biografisch lexicon en diverse bijlagen.
4. Jobse, Jonneke, De Stijl continued: The Journal Structure (1958-1964): An Artist’s Debate, Rotterdam 2005
Dit is een academisch doorwrochte studie van groot formaat. Met enorme precisie en veel oog voor detail, maar evenzeer voor de grote lijn, heeft de auteur de betreffende problematiek in kaart gebracht. Eind jaren vijftig en in de vroege jaren zestig van de twintigste eeuw werd een bij tijd en wijle boeiend theoretisch debat gevoerd over de mogelijkheden en de reikwijdte van een nieuwe abstracte beeldtaal, waarin Joost Baljeu een cruciale rol heeft gespeeld. Ook andere pleitbezorgers krijgen in dit boek volop aandacht.
5. Caroline Roodenburg-Schadd, Expressie en ordening. Het verzamelbeleid van Willem Sandberg voor het Stedelijk Museum 1945-1962, Rotterdam 2004
Hoewel er al het een en ander over Willem Sandberg en ‘zijn’ Stedelijk Museum is gepubliceerd, biedt deze studie een verfrissend perspectief op het beleid van de oud-directeur. In een zeer toegankelijke stijl evalueert de schrijfster de bijna mythische Sandberg-jaren op kritische wijze. De publicatie functioneert dan ook als een belangrijk naslagwerk voor een ieder die geïnteresseerd is in de totstandkoming van moderne museale collecties en tentoonstellingen. Bovendien sluit de publicatie goed aan bij de huidige behoefte – en noodzaak – naar gedegen museaal onderzoek en de Nederlandse culturele geschiedenis in het algemeen. Door deze ‘ongewone insteek’ komt een minder bekende, maar zeer boeiende kant van Sandberg en zijn verzamelactiviteiten voor het Stedelijk Museum aan het licht. De publicatie, die tegelijk fungeert als bestandscatalogus, vormt een mooie aanvulling op andere studies over het verzamelen van moderne kunst in Nederland.
Het was soms niet eenvoudig, maar de jury kwam tijdens haar tweede vergadering toch vrij snel tot de unanieme beslissing dat Caroline Roodenburg-Schadd de prijswinnaar moest worden.
Willem Sandbergs verzamelactiviteiten voor het Stedelijk Museum zijn lang buiten de schijnwerpers gebleven. Hierdoor ontstond de indruk dat hij niet verzamelde of de verzameling zelfs verwaarloosde. Met dit boek, waarin Roodenburg-Schadd op basis van uitgebreid archiefonderzoek verslag doet van Sandbergs aankopen in de periode 1945 – 1962, wordt dit beeld definitief bijgesteld. Sandberg beschouwde de collectie en de opstelling ervan als een dynamisch gegeven, wat onder meer tot uitdrukking kwam in de benaming ‘reservoir’ en de tentoonstellingenreeks ‘Vijf generaties’. Roodenburg-Schadd doet niet alleen verslag van Sandbergs aanwinsten, maar gaat ook uitgebreid in op gemiste kansen. Mede door haar kritische houding ten aanzien van haar onderwerp slaagt zij er in de Sandberg-mythe te ontrafelen. Het is een boek waar niemand, die zich om welke reden dan ook bezighoudt met de geschiedenis van het Stedelijk Museum of met naoorlogse kunstontwikkelingen in de jaren 1945-1965, om heen kan. De auteur heeft voortdurend geprobeerd de nuance (de grijstonen) te zoeken en toont overtuigend aan hoe Sandberg opereerde en zijn doelen nastreefde. Ze weet daarbij aan talloze feitelijkheden nieuwe inzichten te verbinden. Met deze belangwekkende studie verdient Caroline Roodenburg-Schadd dan ook de Karel van Manderprijs.
Namens de jury
Peter de Ruiter
Groningen, 11 november 2011