verspronck

Prijzen: Jan van Gelderprijs 2010

 
Juryrapport van de Jan van Gelderprijs 2010, uitgesproken op 25 november 2010 tijdens de jaarvergadering van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici, Amsterdam.

Net als vorig jaar had de jury van de Jan van Gelderprijs uiteindelijk de keuze tussen een zestal interessante en goede publicaties. De penningmeester van de Vereniging Nederlandse Kunsthistorici heeft, nadat we vorig jaar de prijs aan twee publicaties gunden, ons op het hart gedrukt dat niet nogmaals te doen in verband met de kosten die daarmee gepaard gaan. Wij hebben een heel zuinige penningmeester, in deze tijden zeker een aanwinst.
Zes publicaties allemaal met hun eigen merites en heel divers zo schreef Hanneke van Asperen over Pelgrimsteksens op perkament; originele en nageschilderde bedevaartssouvenirs in religieuze boeken (ca. 1450-ca. 1530), Louis van den Hengel over Imago: Romeinse keizersbeelden en de belichaming van gender, Matthijs Ilsink over Bosch en Brueghel als Bosch. Kunst over kunst bij Pieter Brueghel en Jheronimus Bosch, Vivian Saaze publiceerde Doing Artworks. Nieuwe kijk op conservering van veranderlijke kunstwerken en Merel van Tilburg dong mee naar de prijs met diverse artikelen die in 2009 verschenen in het tijdschrift de Witte Raaf. Als laatste noem ik Liesbeth Zuidema met haar dissertatie Verbeelding en ontbeelding Kartuizers.

Net als andere jaren, kostte het ons moeite om een winnaar aan te wijzen, zoals ik al zei: alle publicaties hebben zo hun eigen kracht en eigen originele inbreng, zienswijze en bijdrage aan de kunsthistorische wetenschap. Uiteindelijk kozen we, na lang beraad en veel emailverkeer en koffie voor de gepubliceerde versie van de dissertatie van Louis van den Hengel over de belichaming van gender in Romeinse keizerbeelden.
Van den Hengel studeerde in 2003 cum laude af in de Griekse en Latijnse Taal en Cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij specialiseerde zich in de klassieke archeologie en de hedendaagse genderstudies en kritische theorie. In 2009 promoveerde hij cum laude aan de RU op de studie Imago. Romeinse keizerbeelden en de belichaming van gender. Voor de handelseditie heeft hij nu de Jan van Gelderprijs gewonnen.
Van den Hengel werkte twee jaar als docent bij de afdeling Cultural Sexuality Studies van het Institute for Gender Studies aan de RU. Momenteel werkt hij als docent en post doc onderzoeker bij het Centrum voor Gender en Diversiteit van de Universiteit Maastricht, waar hij een onderzoek opzet met als werktitel Exchanging Energies. The Transmission of Affect in Contemporary Performance Art. Daarnaast is hij redactielid van het Tijdschrift voor Genderstudies.

Bij het aanwijzen van de prijs aan Van den Hengel heeft de jury het volgende overwogen:
Genderstudies zijn tegenwoordig populair. Maar het is in deze tak van sport uiterst lastig om tot wetenschappelijk steekhoudende interpretaties te komen, die bovendien nog begrijpelijk blijven voor de lezer die niet gepokt en gemazeld is in deze materie en zijn voornaamste auteurs. De studie van de classicus Van den Hengel over de Romeinse keizerportretten is volgens de jury een schoolvoorbeeld van een uiterst inzichtelijk en gedegen studie op dit terrein; de jury vond het boek lezen als een roman, ondanks het feit dat slechts weinig juryleden veel kennis hadden van genderstudies, bleef het betoog helder en boeiend.
Het probleem, 'de belichaming van gender' zoals de auteur in de ondertitel veelzeggend stelt, is uiterst consequent en met een karrevracht aan primaire en secundaire literatuur overtuigend uitgewerkt. Hoe theoretisch en breed behandeld ook, het betoog blijft steeds goed te volgen. De auteur bespreekt veel andere pogingen een gender-benadering op zijn terrein toe te passen, maar relativeert of ontkracht die ook, zoals bijvoorbeeld de fallische interpretatie van de plattegrond van het Forum Romanum. Door het boek heen blijft eigenlijk steeds het begin van het onderzoek resoneren. In de inleiding schetst de auteur namelijk hoe hij in een verlaten museumzaal een antiek Augustusportret met de vingers zorgvuldig aftast. Ik citeer de auteur omdat het stuk volgens ons zoveel zeggend is voor het gehele boek. `De custode, die mij naar deze afgesloten vleugel van het Museo Chiaramonti heeft begeleid en zich nogal verveeld heeft geposteerd naast een of andere Romeinse generaal, werkt me op de zenuwen. Ik zeg hem dat ik van plan ben hier nog een uur of vijf te blijven en dat hij, als hij me deze ruimte tenminste toevertrouwt, best even koffie kan gaan drinken. Hij vindt het een goed plan en sluit me in (een routine waaraan we nog weken zullen vasthouden). Voor het Augustusportret blijf ik een tijd wachten op een idee. Het gevoel bekruipt me dat ik temidden van al deze versteende Romeinen nog steeds niet alleen ben, maar wat ik daarmee wetenschappelijk gezien moet aanvangen weet ik niet. Ik kijk naar het beeld en het beeld kijkt terug: wat moet ik daar nu over zeggen? Dan doe ik iets waarvan jaren van museale etiquette – een combinatie van goed fatsoen en een kinderlijke angst voor straf – mij effectief hebben weten te weerhouden: ik pak het beeld vast.
Het fysieke contact met het kunstwerk is een merkwaardige sensatie. [...] Niet alleen is de lichamelijkheid van het portret bijna overweldigend, ook maakt het beeld mij zelf op de een of andere manier bewuster van mijn eigen lichaam, dat hier in de ruimte staat en dat dit beeld bekijkt en betast. [...] door de intieme ontmoeting met Augustus realiseer ik me dadt de betekenis van het Romeinse keizerportret onlosmakelijk verbonden is zowel met de lichamelijke dimensie van het beeld als met de belichaamde positie van de waarnemer. Op dat moment weet ik waarover ik wil schrijven.´
De fysieke ervaring die Van den Hengel beschrijft maakt de mannelijkheid van deze beelden direct ervaarbaar en vormt dan ook het uitgangspunt voor zijn onderzoek. Zijn onderzoeksvraag luidde: Welke betekenissen werden er in de oudheid toegekend aan het Romeinse keizersportret als geseksueerd lichaamsbeeld, en hoe kunnen we deze theoretisch analyseren? Daarbij wordt het portret belicht vanuit zowel het perspectief van de keizer als door de ogen van de antieke beschouwer. Aan de hand van verschillende casestudies wordt de samenhang nagegaan tussen de sociopolitieke betekenis van het keizerportret en de lichamelijke - gegenderde en geseksualiseerde - dimensie van het beeld zelf, alsook de belichaamde positie van antieke toeschouwers. Daarnaast heeft Van den Hengel aan de hand van de poststructuralistische theorie, de feministische filosofie en de psychoanalyse een theoretisch raamwerk ontwikkeld waarmee de lichamelijke en affectieve werking van de keizerlijke portretkunst kan worden geanalyseerd.
Het gaat hier, volgens de jury, niet alleen om een verdieping van inzichten, maar om een andere manier van kijken. Van den Hengels invalshoek maakt dat men zich vragen gaat stellen over zijn eigen geconditioneerde blik. Dat acht de jury een grote verdienste binnen de kunstgeschiedenis. Het heeft er toe geleid dat de jury dit jaar de Jan van Gelderprijs wil toekennen aan het proefschrift van Louis van den Hengel waarbij zij uitdrukkelijk aantekent dat deze keuze geen afbreuk enkele doet aan de prestaties van de andere genomineerden.


Mayken Jonkman, voorzitter jury Jan van Gelderprijs


terug