
Prijzen: Karel van Manderprijs 2010
Juryrapport van de Karel van Mander-Prijs 2010, uitgesproken op 25 november 2010 tijdens de jaarvergadering van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici, Amsterdam.
Elk jaar reikt een jury van specialisten, die telkens door het Bestuur van de Vereniging van Kunsthistorici voor die gelegenheid wordt samengesteld, de zogenoemde Karel van Mander-Prijs uit voor de beste wetenschappelijke publicatie betreffende een bepaalde historische periode. De periode is gelieerd aan de jaarlijkse kunsthistorische bibliografie. Dit jaar stonden publicaties over de beeldende kunst 1500-1700 centraal met een totaal van een kleine duizend titels.
De jury 2010 bestond uit Gerbrand Korevaar (Rijksmuseum Amsterdam), Micha Leeflang (Museum Catharijneconvent Utrecht), Volker Manuth (Radboud Universiteit Nijmegen) en Henk van Veen (Rijksuniversiteit Groningen), onder voorzitterschap van Claudine Chavannes-Mazel (Universiteit van Amsterdam), tevens voorzitter van de VNK, met als secretaris Esther Dieltjes, bestuurslid VNK.
De jury hield de volgende criteria aan ter beoordeling: het onderzoek moest door de auteur zelf zijn uitgevoerd, en niet voortgekomen zijn uit een universitaire werkgroep; de publicatie moest getuigen van een originele benadering van het vakgebied en vernieuwend zijn wat betreft de aanpak en benadering, het onderzoek moest tot nieuwe inzichten leiden en exemplarisch zijn en toch toegankelijk geschreven zijn.
Tezamen met de schrijver van de Inleiding van de bibliografie 1500-1700, Anton Boschloo (emeritus hoogleraar schilderkunst Leiden), moesten de juryleden erkennen, dat het aantal publicaties vergeleken met de vorige bibliografie uit 2003, bijna was gehalveerd, en dat ondanks het Rembrandt-jaar. De kwaliteit van de publicaties was echter hoog, en tot hun vreugde constateerden zij dat ook dit jaar het schaap met vijf poten gevonden kon worden.
De procedure ging als volgt: uit de duizend titels werd een longlist samengesteld van ca 75 titels, waarbij alle korte artikelen afvielen, alsook publicaties waaraan de juryleden hadden meegewerkt. Tentoonstellingscatalogi en redactionele bijdragen kwamen alleen bij uitzondering in aanmerking. Publicaties uit deze longlist circuleerden en werden vervolgens door elk jurylid geprioriteerd tot een handzaam aantal. Daarna kwam de jury tweemaal bijeen: allereerst om uit de gekozen titels een shortlist samen te stellen, en tenslotte om na lezing van de genomineerde publicaties de uiteindelijke winnaar te kiezen.
De shortlist bestond uit 6 titels, in alfabetische volgorde zijn dit:
1. Piet Bakker, Gezicht op Leeuwarden, Schilders in Friesland en de markt voor schilderijen in de Gouden Eeuw, 2008.
2. Margriet van Eikema Hommes, Changing pictures: discoloration in 15th to 17th century oil paintings, Londen 2004.
3. Erik Hinterding, Rembrandt as an etcher: the practice of production and distribution, 3 dln., Ouderkerk aan den IJssel 2006.
4. Friso Lammertse en Jaap van der Veen, tent. cat. Uylenburgh & Zoon: kunst en commercie van Rembrandt tot De Lairesse 1625-1675, Amsterdam (Museum Het Rembrandthuis), Zwolle 2006.
5. Frits Scholten, Sumptuous Memories: studies in seventeenth-century Dutch tomb sculpture, Zwolle 2003.
6. Marieke de Winkel, Fashion and fancy: dress and meaning in Rembrandt’s paintings, Amsterdam 2006
Uit de titellijst valt al op te maken, dat inderdaad nieuwe terreinen zijn betreden, waaronder de verkleuring van verven en pigmenten, en de betekenis van kleding in Rembrandts schilderijen. De relatie kunst en commercie werd verder uitgediept met onbekend materiaal, Friese schilders kregen de aandacht die zij verdienden dankzij uitvoerig bronnenonderzoek, en grafsculptuur in Nederland, een ‘ondergeschoven’ onderwerp kwam in de schijnwerpers in het boek van Frits Scholten.
Het was niet eenvoudig, maar eensgezind kwam de jury tot de volgende voorkeur:
Op een gedeelde tweede plaats staan drie publicaties: die van Margriet van Eikema Hommes over verkleuring van schilderijen, van Piet Bakker over Friese schilders, en van Lammertse en Van der Veen over de firma Uylenburgh & Zoon.
Hieronder volgt een korte uitleg (in alfabetische volgorde):
Piet Bakker, Gezicht op Leeuwarden, Schilders in Friesland en de markt voor schilderijen in de Gouden Eeuw, 2008.
Tot voor kort werd het beeld van de 17de-eeuwse Friese schilderkunst bepaald door een veelheid aan artikelen en de twee delen over de portretkunst in Friesland in de 16de en 17de eeuw, bij elkaar een gefragmenteerd beeld opleverend. Hierin is verandering gekomen dankzij het proefschrift van Pieter Bakker. Zich vaak baserend op nieuw archivalisch onderzoek heeft Bakker veel nieuwe bronnen ontdekt en verwerkt. Zijn studie staat in de traditie van John Michael Montias spraakmakende boek van 1982 Artists and Artisans in Delft. A Socio-Economic Study of the Seventeenth Century, waarin het functioneren van de kunstmarkt in Delft en het schilderijenbezit van Delftse burgers centraal staat. Naast Delft is nu ook Leeuwarden op deze manier in kaart gebracht. Met oog voor detail maar zonder daarin te verdwalen is het Piet Bakker gelukt een bijzonder informatief inzicht te geven in de Friese schilderkunst van de Gouden Eeuw.
Margriet van Eikema Hommes, Changing Pictures - Discoloration in 15th to 17th Century Oil Paintings, Londen 2004
Een interdisciplinaire studie waarin de technische kunstgeschiedenis wordt gecombineerd met uitvoerig bronnenonderzoek (zoals schildertraktaten). Het boek is van fundamenteel belang voor zowel kunsthistorici, geïnteresseerd in schildertechniek, als voor restauratoren. Behalve dat het een beeld geeft van de wijze waarop schilderijen in de loop der tijd veranderen, wijst de auteur op de mogelijke intenties van de schilders zelf. Zij waren vaak goed op de hoogte van de wijze waarop bepaalde pigmenten van kleur konden veranderen en in het tweede deel van het boek wordt uitvoerig ingegaan op de manier waarop de kunstenaars deze verkleuringen probeerden tegen te gaan. Zoals blijkt uit het hoofdstuk over Rafaels Transfiguratie kunnen resultaten van het technisch onderzoek ook iconografische consequenties hebben.
Friso Lammertse en Jaap van der Veen, tent. cat. Uylenburgh & Zoon: kunst en commercie van Rembrandt tot De Lairesse 1625-1675, Amsterdam (Museum Het Rembrandthuis), Zwolle 2006.
Ook hier is voortreffelijk archiefonderzoek de basis van onderzoek geweest, waardoor Amsterdam als internationaal centrum van de kunsthandel in de 17de eeuw voor het voetlicht komt. De studie beperkt zich niet alleen tot dit thema, maar geeft ook een unieke kijk op afkomst en milieu van de Uylenburgh en zo van de toen cultureel gezien belangrijke doopsgezinde kringen en netwerken in Friesland en Holland. Dus ook op cultuurhistorisch en prosopografisch terrein is het boek een belangwekkende bijdrage.
Hoe goed en gedegen genoemde boeken ook zijn, de winnaar was nog meer gedegen, nog grondiger in zijn onderzoek en nog verrassender in zijn uitkomsten. Geheel verdiend, krijgt Erik Hinterding met zijn drie delen Rembrandt als etser de Karel van Mander 2010 uitgereikt.
Erik Hinterding, Rembrandt as an etcher: the practice of production and distribution, 3 dln., Ouderkerk aan den IJssel 2006
Binnen de hausse aan publicaties die in (de aanloop van) het Rembrandtjaar in 2006 zijn verschenen, vormt het onderzoek naar Rembrandts watermerken van Erik Hinterding een hoogtepunt. Een studie naar de materiële eigenschappen van de fysieke drager lijkt in eerste instantie te getuigen van bescheiden kunsthistorische pretenties, maar het verdient alleen al bewondering om in de wirwar aan technische gegevens structuur aan te brengen. Als watermerken-naslagwerk is het onderzoek onontbeerlijk voor specialisten. Juist bij de interpretatie van deze gegevens verkrijgt de studie echter zijn eigenlijke betekenis: het bevat nieuwe inzichten over Rembrandts techniek, zijn biografie, dateringen, de genese van individuele werken en zijn artistieke ontwikkeling, of de verhouding tot andere kunstenaars. Hinterding heeft met deze studie diverse traditionele hypothesen kunnen bevestigen of verwerpen en blijkt daarbij een nauwgezet onderzoeker, die wikt en weegt en vervolgens tot uiterst afgewogen oordelen komt. Een grote materiële kennis gaat samen met een gevoel voor de beeldende mogelijkheden van etsnaald en inkt, en een scherp kennersoog. De juiste vraagstellingen worden getoetst door een doorwrochte omgang met kunsthistorische bronnen en een methodisch exemplarische benadering van de technische data. Hinterding heeft een studie geschreven die verplichte kost is voor komende generaties onderzoekers naar Rembrandts grafische oeuvre.
Namens de jury,
Prof.dr Claudine A. Chavannes-Mazel
voorzitter
Amsterdam, 25 november 2010 terug
Elk jaar reikt een jury van specialisten, die telkens door het Bestuur van de Vereniging van Kunsthistorici voor die gelegenheid wordt samengesteld, de zogenoemde Karel van Mander-Prijs uit voor de beste wetenschappelijke publicatie betreffende een bepaalde historische periode. De periode is gelieerd aan de jaarlijkse kunsthistorische bibliografie. Dit jaar stonden publicaties over de beeldende kunst 1500-1700 centraal met een totaal van een kleine duizend titels.
De jury 2010 bestond uit Gerbrand Korevaar (Rijksmuseum Amsterdam), Micha Leeflang (Museum Catharijneconvent Utrecht), Volker Manuth (Radboud Universiteit Nijmegen) en Henk van Veen (Rijksuniversiteit Groningen), onder voorzitterschap van Claudine Chavannes-Mazel (Universiteit van Amsterdam), tevens voorzitter van de VNK, met als secretaris Esther Dieltjes, bestuurslid VNK.
De jury hield de volgende criteria aan ter beoordeling: het onderzoek moest door de auteur zelf zijn uitgevoerd, en niet voortgekomen zijn uit een universitaire werkgroep; de publicatie moest getuigen van een originele benadering van het vakgebied en vernieuwend zijn wat betreft de aanpak en benadering, het onderzoek moest tot nieuwe inzichten leiden en exemplarisch zijn en toch toegankelijk geschreven zijn.
Tezamen met de schrijver van de Inleiding van de bibliografie 1500-1700, Anton Boschloo (emeritus hoogleraar schilderkunst Leiden), moesten de juryleden erkennen, dat het aantal publicaties vergeleken met de vorige bibliografie uit 2003, bijna was gehalveerd, en dat ondanks het Rembrandt-jaar. De kwaliteit van de publicaties was echter hoog, en tot hun vreugde constateerden zij dat ook dit jaar het schaap met vijf poten gevonden kon worden.
De procedure ging als volgt: uit de duizend titels werd een longlist samengesteld van ca 75 titels, waarbij alle korte artikelen afvielen, alsook publicaties waaraan de juryleden hadden meegewerkt. Tentoonstellingscatalogi en redactionele bijdragen kwamen alleen bij uitzondering in aanmerking. Publicaties uit deze longlist circuleerden en werden vervolgens door elk jurylid geprioriteerd tot een handzaam aantal. Daarna kwam de jury tweemaal bijeen: allereerst om uit de gekozen titels een shortlist samen te stellen, en tenslotte om na lezing van de genomineerde publicaties de uiteindelijke winnaar te kiezen.
De shortlist bestond uit 6 titels, in alfabetische volgorde zijn dit:
1. Piet Bakker, Gezicht op Leeuwarden, Schilders in Friesland en de markt voor schilderijen in de Gouden Eeuw, 2008.
2. Margriet van Eikema Hommes, Changing pictures: discoloration in 15th to 17th century oil paintings, Londen 2004.
3. Erik Hinterding, Rembrandt as an etcher: the practice of production and distribution, 3 dln., Ouderkerk aan den IJssel 2006.
4. Friso Lammertse en Jaap van der Veen, tent. cat. Uylenburgh & Zoon: kunst en commercie van Rembrandt tot De Lairesse 1625-1675, Amsterdam (Museum Het Rembrandthuis), Zwolle 2006.
5. Frits Scholten, Sumptuous Memories: studies in seventeenth-century Dutch tomb sculpture, Zwolle 2003.
6. Marieke de Winkel, Fashion and fancy: dress and meaning in Rembrandt’s paintings, Amsterdam 2006
Uit de titellijst valt al op te maken, dat inderdaad nieuwe terreinen zijn betreden, waaronder de verkleuring van verven en pigmenten, en de betekenis van kleding in Rembrandts schilderijen. De relatie kunst en commercie werd verder uitgediept met onbekend materiaal, Friese schilders kregen de aandacht die zij verdienden dankzij uitvoerig bronnenonderzoek, en grafsculptuur in Nederland, een ‘ondergeschoven’ onderwerp kwam in de schijnwerpers in het boek van Frits Scholten.
Het was niet eenvoudig, maar eensgezind kwam de jury tot de volgende voorkeur:
Op een gedeelde tweede plaats staan drie publicaties: die van Margriet van Eikema Hommes over verkleuring van schilderijen, van Piet Bakker over Friese schilders, en van Lammertse en Van der Veen over de firma Uylenburgh & Zoon.
Hieronder volgt een korte uitleg (in alfabetische volgorde):
Piet Bakker, Gezicht op Leeuwarden, Schilders in Friesland en de markt voor schilderijen in de Gouden Eeuw, 2008.
Tot voor kort werd het beeld van de 17de-eeuwse Friese schilderkunst bepaald door een veelheid aan artikelen en de twee delen over de portretkunst in Friesland in de 16de en 17de eeuw, bij elkaar een gefragmenteerd beeld opleverend. Hierin is verandering gekomen dankzij het proefschrift van Pieter Bakker. Zich vaak baserend op nieuw archivalisch onderzoek heeft Bakker veel nieuwe bronnen ontdekt en verwerkt. Zijn studie staat in de traditie van John Michael Montias spraakmakende boek van 1982 Artists and Artisans in Delft. A Socio-Economic Study of the Seventeenth Century, waarin het functioneren van de kunstmarkt in Delft en het schilderijenbezit van Delftse burgers centraal staat. Naast Delft is nu ook Leeuwarden op deze manier in kaart gebracht. Met oog voor detail maar zonder daarin te verdwalen is het Piet Bakker gelukt een bijzonder informatief inzicht te geven in de Friese schilderkunst van de Gouden Eeuw.
Margriet van Eikema Hommes, Changing Pictures - Discoloration in 15th to 17th Century Oil Paintings, Londen 2004
Een interdisciplinaire studie waarin de technische kunstgeschiedenis wordt gecombineerd met uitvoerig bronnenonderzoek (zoals schildertraktaten). Het boek is van fundamenteel belang voor zowel kunsthistorici, geïnteresseerd in schildertechniek, als voor restauratoren. Behalve dat het een beeld geeft van de wijze waarop schilderijen in de loop der tijd veranderen, wijst de auteur op de mogelijke intenties van de schilders zelf. Zij waren vaak goed op de hoogte van de wijze waarop bepaalde pigmenten van kleur konden veranderen en in het tweede deel van het boek wordt uitvoerig ingegaan op de manier waarop de kunstenaars deze verkleuringen probeerden tegen te gaan. Zoals blijkt uit het hoofdstuk over Rafaels Transfiguratie kunnen resultaten van het technisch onderzoek ook iconografische consequenties hebben.
Friso Lammertse en Jaap van der Veen, tent. cat. Uylenburgh & Zoon: kunst en commercie van Rembrandt tot De Lairesse 1625-1675, Amsterdam (Museum Het Rembrandthuis), Zwolle 2006.
Ook hier is voortreffelijk archiefonderzoek de basis van onderzoek geweest, waardoor Amsterdam als internationaal centrum van de kunsthandel in de 17de eeuw voor het voetlicht komt. De studie beperkt zich niet alleen tot dit thema, maar geeft ook een unieke kijk op afkomst en milieu van de Uylenburgh en zo van de toen cultureel gezien belangrijke doopsgezinde kringen en netwerken in Friesland en Holland. Dus ook op cultuurhistorisch en prosopografisch terrein is het boek een belangwekkende bijdrage.
Hoe goed en gedegen genoemde boeken ook zijn, de winnaar was nog meer gedegen, nog grondiger in zijn onderzoek en nog verrassender in zijn uitkomsten. Geheel verdiend, krijgt Erik Hinterding met zijn drie delen Rembrandt als etser de Karel van Mander 2010 uitgereikt.
Erik Hinterding, Rembrandt as an etcher: the practice of production and distribution, 3 dln., Ouderkerk aan den IJssel 2006
Binnen de hausse aan publicaties die in (de aanloop van) het Rembrandtjaar in 2006 zijn verschenen, vormt het onderzoek naar Rembrandts watermerken van Erik Hinterding een hoogtepunt. Een studie naar de materiële eigenschappen van de fysieke drager lijkt in eerste instantie te getuigen van bescheiden kunsthistorische pretenties, maar het verdient alleen al bewondering om in de wirwar aan technische gegevens structuur aan te brengen. Als watermerken-naslagwerk is het onderzoek onontbeerlijk voor specialisten. Juist bij de interpretatie van deze gegevens verkrijgt de studie echter zijn eigenlijke betekenis: het bevat nieuwe inzichten over Rembrandts techniek, zijn biografie, dateringen, de genese van individuele werken en zijn artistieke ontwikkeling, of de verhouding tot andere kunstenaars. Hinterding heeft met deze studie diverse traditionele hypothesen kunnen bevestigen of verwerpen en blijkt daarbij een nauwgezet onderzoeker, die wikt en weegt en vervolgens tot uiterst afgewogen oordelen komt. Een grote materiële kennis gaat samen met een gevoel voor de beeldende mogelijkheden van etsnaald en inkt, en een scherp kennersoog. De juiste vraagstellingen worden getoetst door een doorwrochte omgang met kunsthistorische bronnen en een methodisch exemplarische benadering van de technische data. Hinterding heeft een studie geschreven die verplichte kost is voor komende generaties onderzoekers naar Rembrandts grafische oeuvre.
Namens de jury,
Prof.dr Claudine A. Chavannes-Mazel
voorzitter
Amsterdam, 25 november 2010 terug