
Prijzen
De Karel van Manderprijs van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici wordt elk jaar uitgereikt voor een waardevolle publicatie van een Nederlandse of in Nederland werkende kunsthistoricus. Als long list dient de in het jaar voor de prijsuitreiking verschenen VNK-bibliografie die een bepaalde periode in de kunstgeschiedenis beslaat bv. 1500-1700, 1700-1850 etc.) en die publicaties over de laatste vijf jaar bevat. Dit betekent dat de Karel van Manderprijs jaarlijks in een ander deelgebied wordt uitgereikt en dat een deelgebied om de vijf jaar aan de beurt is. De laureaat ontvangt een bedrag van € 1000,- en een trofee, ontworpen door Manita Kieft.
De Jan van Gelderprijs van de Vereniging van Kunsthistorici wordt elk jaar uitgereikt voor een waardevolle publicatie op het gebied van de kunstgeschiedenis, d.w.z. de beeldende kunsten, architectuur en toegepaste kunsten. De auteur van deze publicatie dient bij het verschijnen ervan niet ouder dan 35 jaar te zijn. Iemand kan slechts eenmaal de Jan van Gelderprijs krijgen. De Jan van Gelderprijs is bedoeld als aanmoediging voor een jonge en veelbelovende Nederlandse kunsthistoricus. Publicaties uit het jaar voorafgaand aan de jurering komen in aanmerking. Zij moeten voldoen "aan de algemeen geldende wetenschappelijke eisen en getuigen van oorspronkelijkheid". De laureaat ontvangt een bedrag van € 1000,- en een trofee, ontworpen door Manita Kieft.
De Gijselaar- Hintzenfonds Prijs wordt tweejaarlijks uitgereikt aan iemand die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan stimuleren van kunsthistorische kennis bij een breder publiek. De Stichting De Gijselaar-Hintzenfonds dankt zijn naam aan twee bemiddelde vrouwen, Theodora Clementine de Gijselaar en dr Johanna Dorina Hintzen - de laatste promoveerde in 1918 bij Johan Huizinga. In 1935 riepen zij samen een stichting in het leven, ‘ten doel hebbende de bevordering der volksontwikkeling door het beschikbaar stellen van lichtbeelden, foto’s en alhetgeen de fotografische techniek haar verder mogelijk zal maken, een en ander in de ruimsten zin des woords’. Deze doelstelling is enige malen aan de tijd aangepast, maar de volksontwikkeling bleef tot en met de statutenwijziging van 1963. Het huidige bestuur van deze Stichting heeft in 2010 besloten een naar de dames genoemde prijs in het leven te roepen, die tweejaarlijks uitgereikt zal worden aan iemand, die een of meerdere publicaties over beeldende kunst heeft geschreven voor een breder publiek – een modernere benaming voor ‘volksontwikkeling’, ooit opvoedkundig bedoeld, en nu door iedereen als stimulans ervaren.
De prijzen worden uitgereikt op de jaarlijkse Kunsthistorische Dag van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici.
Juryrapport Jan van Gelderprijs, uitgesproken tijdens de Kunsthistorische Dag van de VNK op 11 november 2011, door juryvoorzitter Terry van Druten
Waar tussen kiezen: een proefschrift dat enig in zijn soort is? Een onderzoek waar vanaf nu niemand meer omheen kan? Of een boek dat kan gelden als uithangbord van de kunstgeschiedenis? Dit was kort gezegd de keuze waarvoor de jury van de Jan van Gelderprijs dit jaar stond bij het uitreiken van deze prijs voor een bijzonder onderzoek door een jonge kunsthistoricus. Ik zal alle drie de genomineerde studies kort bespreken.
Als eerste dat van Inge Broekman, geboren in 1981. Haar proefschrift Constantijn Huygens, de kunst en het hof (Universiteit van Amsterdam, 2010) bestaat in feite uit het verslag van een minutieuze en systematische zoektocht naar de plaats van de kunsten in het geschreven werk van de alleskunner, diplomaat en stadhouderlijk secretaris, Constantijn Huygens. Broekmans werk is een gedegen onderzoek, dat – hoewel er al eerder uitvoerig naar Huygens is gekeken – nog niet eerder zo systematisch is verricht. Haar conclusies zijn helder en eenduidig, zij het helaas – zo gaat dat soms met onderzoek – niet spectaculair: Huygens’ rol in de kunsten aan het stadhouderlijke hof was beperkt, en zijn kennis en interesses op dit gebied waren dat ook. Zijn eigen kunstcollectie beperkte zich hoofdzakelijk tot portretten van familie en bekenden, die in eerste instantie verzameld werden met het oog op verhoging van de eigen status. Het siert Broekman echter dat ze deze conclusies niet verder heeft opgerekt of het belang ervan heeft aangezet. In lijn met andere recente bevindingen is Huygens tot menselijke en pragmatisch handelende proporties teruggebracht. Zeker vanwege het volledige overzicht van alle fragmenten uit het dichtwerk, correspondentie en andere stukken waarin Huygens zich uitlaat over de kunsten, zullen toekomstige onderzoekers dan ook niet om dit proefschrift van Inge Broekman heen kunnen.
De tweede genomineerde is Merlijn Hurx, geboren in 1981, met zijn proefschrift De particuliere bouwmarkt in de Nederlanden en de opkomst van de architect (1350-1530). (Technische Universiteit Delft, 2010)
Het gebeurt maar eens in de zoveel tijd dat er op het gebied van de middeleeuwse architectuurgeschiedenis belangrijke inzichten worden toegevoegd. Deze dissertatie doet dat, zowel in de breedte als in de diepte. Dat mag als een waagstuk worden opgevat, want kritiek ligt dan snel op de loer. In dit geval overtuigt het resultaat echter zeer. Hurx zet groot in door het behandelen van een groot gebied – de gehele Nederlanden– en een ruime periode – de twee eeuwen tussen 1350 en 1530. Deze periode van transitie en culturele eenheid wordt afgezet tegen de gelijktijdige situatie elders in Europa, met name in Italië met als brandpunt Florence. Hurx bespreekt daarbij de veranderende rol van de architect en signaleert dat de voornaamste kentering niet pas plaatsvond in de vijftiende en zestiende eeuw in Italië, maar reeds ruim een eeuw eerder èn in het noorden. Bovendien plaatst en bespreekt hij deze ontwikkeling in het bredere verband van het bouwvak. In de organisatie van de uitvoeringspraktijk ligt volgens Hurx namelijk de verklaring voor de door hem gesignaleerde ontwikkeling, wat hij aan de hand van een groot aantal schriftelijke bronnen en gebouwde voorbeelden laat zien.Hurx heeft voor zijn onderzoek veel van zulke bronnen bestudeerd. Allereerst natuurlijk de reeds bestaande literatuur en bronnenpublicaties. Daarnaast heeft hij een reeks archieven intensief bestudeerd op het punt van bouwrekeningen en tekeningen, waarbij veel nieuw materiaal naar boven is gekomen. Tenslotte heeft hij – en dat is naar mening van de jury een grote verdienste voor een kunsthistoricus – ook een aantal gebouwen zelf bevraagd door gerichte opmetingen van bijvoorbeeld detailleringen en profileringen.Deze studie zal volgend jaar worden gepubliceerd en dat is meer dan terecht. Het betreft een specialistisch en uitgebreid onderzoek, waarbij de nodige voorkennis gevraagd wordt om de werkelijke portee ervan te doorgronden. Niettemin levert het interessant en onderhoudend leesvoer, waarvan het kunsthistorisch belang in de komende jaren zal blijken.
Dit laatste was de afgelopen periode al het geval bij de derde nominatie, de biografie De eeuwigheid verzameld. Helene Kröller-Müller 1869-1939 (uitgeverij Bert Bakker, 2010) door Eva Rovers, geboren in 1978.
De biografie is een zeer dankbaar genre, maar ook is het een gevaarlijk genre. Na jarenlang beschouwd te zijn als wetenschappelijk minder vruchtbaar, heeft de biografie recentelijk een snelle comeback gemaakt. Het schrijven van een goede biografie is echter allerminst makkelijk. Want wat is goed? Een interessante persoonlijkheid in zijn historische context neerzetten en duiden; het materiaal volledig beheersen zonder je erdoor te laten overvleugelen; kunnen kiezen uit het beschikbare materiaal en in die keuze evenwicht bewaren; distantie houden tot de persoon die je bestudeert, geen hagiografie schrijven; en bovenal: leesbaar, liefst zelfs meeslepend schrijven. Dat is een hele waslijst, die nog gemakkelijk aangevuld zou kunnen worden. Maar nu is er een biografie die aan al deze eisen en wensen voldoet en dat is de handelsversie van het proefschrift van Eva Rovers.De opzet van dit boek is strikt chronologisch en het verhaal is klassiek van opzet – tot zover weinig opzienbarends. De grote kunst is dat het eigenlijk bijzondere pas daarbinnen plaatsvindt. Het verhaal van Hélène Kröller-Müller is een verhaal geworden van een beroemde persoonlijkheid met een centrale positie in de Nederlandse 20e-eeuwse kunstgeschiedenis, verzamelgeschiedenis en museumgeschiedenis. Een vrouw met een voorbeeldfunctie voor hedendaagse verzamelaars, die echter onsympathiek blijkt in haar privéleven en vaak zeer eigengereid optrad.Rovers kreeg voor het schrijven van dit verhaal zeer veel en zeer mooie bronnen tot haar beschikking, waaronder ruimhartige toegang tot de archieven van Museum Kröller-Müller. Zo bezat zij een goudmijn aan materiaal waaruit zij effectief en beredeneerd heeft weten te kiezen en in te schiften. Het resultaat is een boek dat niet alleen inzicht geeft in de persoon Hélène Kröller-Müller, maar ook brede terreinen om haar heen bestrijkt. Waarbij dit boek zich haast achteloos uitstrekt over de grenzen van de kunstgeschiedenis tot in het sociale en politieke.En dit alles zonder aan leesbaarheid in te boeten. Steker nog, Rovers maakt haar onderwerp toegankelijk voor een veel breder publiek dan enkel kunsthistorici zonder dat zij op de kunsthistorische inhoud inlevert. Doe het haar bijvoorbeeld maar eens na: de vage theorieën van kunstpaus Bremmer zo helder uiteenzetten als zij dat doet. En dit is wellicht dan ook de grootste verdienste van Rovers' onderzoek voor ons vak. Zoals één van de juryleden opmerkte: dit boek is een uithangbord voor de kunstgeschiedenis. Een werk dat de afgelopen tijd al veel aandacht heeft gekregen, maar naar mening van de jury niet genoeg geprezen kan worden. Zodoende dat de Jan van Gelderprijs 2011 unaniem wordt toegekend aan Eva Rovers.
Tot slot wil de jury graag nog opmerken dat uit de nominaties van dit en vorige jaren de indruk zou kunnen ontstaan dat de Jan van Gelderprijs enkel bedoeld is voor dissertaties en daadwerkelijk gepubliceerde werken. Echter ook kortere studies en nog ongepubliceerd onderzoek komt in aanmerking. Wat telt is of een jonge kunsthistoricus, niet ouder dan 35 jaar, een onderzoek heeft afgeleverd waarvan de kwaliteit, de diepgang en de vraag of het een vernieuwende of originele bijdrage betreft aan ons vak, hartgrondig kan worden beantwoord met ‘ja’.
Terry van Druten
Juryvoorzitter Jan van Gelderprijs 2011
Namens de juryleden:
Jeroen Goudeau
Roman Koot
Pieter Roelofs
Margueritte Tuijn
Patricia van Ulzen
Juryrapport van de Karel van Mander-Prijs 2011, uitgesproken op 11 november 2011 tijdens de jaarvergadering van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici, Haarlem.
Ieder jaar reikt een jury van specialisten, die telkens door het Bestuur van de Vereniging van Kunsthistorici voor die gelegenheid wordt samengesteld, de zogenoemde Karel van Mander-Prijs uit voor de beste wetenschappelijke publicatie betreffende een bepaalde (kunst)historische periode. Deze periode is gelieerd aan de jaarlijkse kunsthistorische bibliografie; dit jaar stonden publicaties over de beeldende kunst en kunstnijverheid uit de periode 1850-heden centraal met een totaal van 832 titels. Deze titels hadden alle betrekking op de jaren 2004-2009.
De Jury 2011 bestond uit Titus Eliëns (Rijksuniversiteit Leiden en Gemeentemuseum in Den Haag), Saskia van Kampen (Museum Boijmans Van Beuningen te Rotterdam), Peter de Ruiter (Rijksuniversiteit Groningen), Margriet Schavemaker (Stedelijk Museum te Amsterdam) en stond onder voorzitterschap van Claudine Chavannes-Mazel (Universiteit van Amsterdam), tevens voorzitter van de VNK, met als secretaris Esther Dieltjes, bestuurslid VNK.
De jury hield de volgende criteria ter beoordeling aan: het onderzoek moet volledig door de auteur zelf zijn uitgevoerd en mag niet voortkomen uit bijvoorbeeld een universitaire werkgroep; de publicatie moet getuigen van een originele benadering van het vakgebied en vernieuwend zijn wat betreft aanpak, nieuwe inzichten opleveren, exemplarisch zijn met als basis grondig onderzoek. Ten slotte is de toegankelijkheid van de schrijfstijl een wezenlijk beoordelingscriterium.De juryleden moesten erkennen dat het aantal publicaties vergeleken met de bibliografie uit 2005 aanzienlijk kleiner was; destijds betrof het 3353 titels. Dit grote verschil in aantal, zo verduidelijkt inleider Ton Geerts heeft te maken gehad met de selectie die de samensteller van de bibliografie heeft gehanteerd. De kwaliteit van de publicaties was echter niet minder groot, en tot hun vreugde wist de jury ook dit jaar het schaap met vijf poten te vinden.
De procedure ging als volgt: uit de ruim 800 titels werd een longlist samengesteld. Alle korte artikelen vielen af, alsook publicaties waar juryleden zelf aan hadden meegewerkt. Tentoonstellingscatalogi en redactionele bijdragen kwamen bij uitzondering in aanmerking. Publicaties uit deze longlist werden vervolgens door ieder afzonderlijk jurylid geprioriteerd en teruggebracht tot een te overzien aantal van 13. De jury kwam vervolgens tweemaal bijeen: allereerst om uit de gekozen 13 titels een shortlist van 5 titels samen te stellen en daarna nog eens om na lezing van de genomineerde publicaties de uiteindelijke winnaar te kiezen. Uit deze titellijst valt op te maken dat er inderdaad nieuwe terreinen zijn betreden, zoals dat van de biografie en de positie en het werkveld van vrouwelijke kunstenaars in de door mannen gedomineerde kunstwereld. De shortlist bestond uit 5 titels. In alfabetische volgorde zijn deze:
1. Balk, Hildelies, De kunstpaus: H.P. Bremmer 1871-1956, Bussum 2006
Het genre van de biografie beheerst Balk uitstekend. Dit boek is een knap staaltje werk, waar veel onderzoek aan ten grondslag ligt en laat zich bijna lezen als een roman. Men leert H.P. Bremmer, die onder andere kunstadviseur was van Helene Kröller-Müller, kennen als een deskundig criticus en estheet van beeldende kunst, maar ook als iemand die precies wist wat hij wel en niet moest doen om een cliëntèle aan zich te binden. Bremmers denkwereld en zijn manier van handelen komen mooi tot uitdrukking in dit zorgvuldig gecomponeerde boek.
2. Bax, Marty, Het web der schepping. Theosofie en kunst in Nederland. Van Lauweriks tot Mondriaan, Amsterdam 2006
Marty Bax verrichtte pionierswerk. Dit boek geldt inmiddels als een standaardwerk op het gebied van de relatie tussen theosofie en beeldende kunst in de jaren tussen omstreeks 1850 en 1920. Er ligt zeer veel en uitvoerig onderzoek aan ten grondslag. Omdat er zoveel kunstenaars behept waren met de theosofische beginselen en de beeldende kunstproductie in die jaren er sterk door is beïnvloed, kan deze studie als zéér welkom worden beschouwd.
3. Groot, Marjan, Vrouwen in de vormgeving in Nederland, Rotterdam 2007
Middels uitvoerig archiefonderzoek naar zowel de sociaalhistorische context waarin vrouwen werkzaam waren, alsook naar de kunsthistorische context van hun werk biedt de auteur een nieuw perspectief op de geschiedenis van vormgeving en design. De publicatie bevat niet alleen een schat aan gegevens over vrijwel alle vrouwelijke kunstenaars die in de periode 1880-1940 werkzaam zijn geweest, maar stelt ook definitief het beeld bij dat de vormgeving van deze jaren een zaak van mannen was. De publicatie is voorzien van een biografisch lexicon en diverse bijlagen.
4. Jobse, Jonneke, De Stijl continued: The Journal Structure (1958-1964): An Artist’s Debate, Rotterdam 2005
Dit is een academisch doorwrochte studie van groot formaat. Met enorme precisie en veel oog voor detail, maar evenzeer voor de grote lijn, heeft de auteur de betreffende problematiek in kaart gebracht. Eind jaren vijftig en in de vroege jaren zestig van de twintigste eeuw werd een bij tijd en wijle boeiend theoretisch debat gevoerd over de mogelijkheden en de reikwijdte van een nieuwe abstracte beeldtaal, waarin Joost Baljeu een cruciale rol heeft gespeeld. Ook andere pleitbezorgers krijgen in dit boek volop aandacht.
5. Caroline Roodenburg-Schadd, Expressie en ordening. Het verzamelbeleid van Willem Sandberg voor het Stedelijk Museum 1945-1962, Rotterdam 2004
Hoewel er al het een en ander over Willem Sandberg en ‘zijn’ Stedelijk Museum is gepubliceerd, biedt deze studie een verfrissend perspectief op het beleid van de oud-directeur. In een zeer toegankelijke stijl evalueert de schrijfster de bijna mythische Sandberg-jaren op kritische wijze. De publicatie functioneert dan ook als een belangrijk naslagwerk voor een ieder die geïnteresseerd is in de totstandkoming van moderne museale collecties en tentoonstellingen. Bovendien sluit de publicatie goed aan bij de huidige behoefte – en noodzaak – naar gedegen museaal onderzoek en de Nederlandse culturele geschiedenis in het algemeen. Door deze ‘ongewone insteek’ komt een minder bekende, maar zeer boeiende kant van Sandberg en zijn verzamelactiviteiten voor het Stedelijk Museum aan het licht. De publicatie, die tegelijk fungeert als bestandscatalogus, vormt een mooie aanvulling op andere studies over het verzamelen van moderne kunst in Nederland.
Het was soms niet eenvoudig, maar de jury kwam tijdens haar tweede vergadering toch vrij snel tot de unanieme beslissing dat Caroline Roodenburg-Schadd de prijswinnaar moest worden.
Willem Sandbergs verzamelactiviteiten voor het Stedelijk Museum zijn lang buiten de schijnwerpers gebleven. Hierdoor ontstond de indruk dat hij niet verzamelde of de verzameling zelfs verwaarloosde. Met dit boek, waarin Roodenburg-Schadd op basis van uitgebreid archiefonderzoek verslag doet van Sandbergs aankopen in de periode 1945 – 1962, wordt dit beeld definitief bijgesteld. Sandberg beschouwde de collectie en de opstelling ervan als een dynamisch gegeven, wat onder meer tot uitdrukking kwam in de benaming ‘reservoir’ en de tentoonstellingenreeks ‘Vijf generaties’. Roodenburg-Schadd doet niet alleen verslag van Sandbergs aanwinsten, maar gaat ook uitgebreid in op gemiste kansen. Mede door haar kritische houding ten aanzien van haar onderwerp slaagt zij er in de Sandberg-mythe te ontrafelen. Het is een boek waar niemand, die zich om welke reden dan ook bezighoudt met de geschiedenis van het Stedelijk Museum of met naoorlogse kunstontwikkelingen in de jaren 1945-1965, om heen kan. De auteur heeft voortdurend geprobeerd de nuance (de grijstonen) te zoeken en toont overtuigend aan hoe Sandberg opereerde en zijn doelen nastreefde. Ze weet daarbij aan talloze feitelijkheden nieuwe inzichten te verbinden. Met deze belangwekkende studie verdient Caroline Roodenburg-Schadd dan ook de Karel van Manderprijs.
Namens de jury
Peter de Ruiter
Groningen, 11 november 2011
De Gijselaar- Hintzenfonds Prijs werd dit jaar voor het eerst uitgereikt, tijdens de Kunsthistorische Dag van de VNK in het Teylers Museum te Haarlem
De Stichting De Gijselaar-Hintzenfonds dankt zijn naam aan twee bemiddelde vrouwen, Theodora Clementine de Gijselaar en dr Johanna Dorina Hintzen - de laatste promoveerde in 1918 bij Johan Huizinga. In 1935 riepen zij samen een stichting in het leven, ‘ten doel hebbende de bevordering der volksontwikkeling door het beschikbaar stellen van lichtbeelden, foto’s en alhetgeen de fotografische techniek haar verder mogelijk zal maken, een en ander in de ruimsten zin des woords’. Deze doelstelling is enige malen aan de tijd aangepast, maar de volksontwikkeling bleef tot en met de statutenwijziging van 1963.
Het huidige bestuur van deze Stichting heeft in 2010 besloten een naar de dames genoemde prijs in het leven te roepen, die tweejaarlijks uitgereikt zal worden aan iemand, die een of meerdere publicaties over beeldende kunst heeft geschreven voor een breder publiek – een modernere benaming voor ‘volksontwikkeling’, ooit opvoedkundig bedoeld, en nu door iedereen als stimulans ervaren.
Het is de eerste keer dat deze prijs wordt uitgereikt, en daarom moest de jury een wel heel groot terrein trachten te overzien. Er was geen specifieke periode te bestrijken zoals moderne of oude beeldende kunst, geen specifiek medium zoals kranten, tijdschriften, film, televisie of websites, en geen specifiek soort openbare collecties zoals musea, oudheidkamers of platenverzamelingen - alleen de volksontwikkeling stond haar voor ogen als essentieel criterium. Tegelijkertijd had zij de handen vrij de prijs een richting te geven, die voor de toekomst waardevol zou kunnen zijn.
De jury bestond uit het voltallige bestuur van de Stichting: Claudine Chavannes-Mazel (voorzitter, Universiteit van Amsterdam), Antoinette Visser (secretaris, Haags Historisch Museum), Ewout Blaauw (penningmeester), en de leden Pieter de Dreu (Rembrandthuis Amsterdam) Eva Geudeker (Rijksbureau Kunsthistorische Documentatie), Annemiek Overbeek (Kunstschrift), Epco Runia (Mauritshuis), en Jan Willem Schrofer (Rijksakademie). Unaniem kwamen zij tot het volgende oordeel:
De Stichting De Gijselaar Hintzenfonds reikt de naar haar genoemde prijs uit aan Eddy de Jongh wegens zijn levenslange en grote verdienste op het gebied van het toegankelijk maken van kunsthistorische kennis voor een breed publiek, door middel van zijn trefzekere pen.
Jury rapport: Wie de biografie en de lange lijst van publicaties van Eddy de Jongh (1931) beziet, herkent een patroon in zijn oeuvre dat zijn persoon weerspiegelt: veelzijdig, bescheiden en gedreven. Dat hoeft men niet allemaal tegelijkertijd te zijn om voor een De Gijselaar-Hintzenfondsprijs in aanmerking te komen, maar het is opvallend hoe hoogst wetenschappelijke catalogi, Festschriften, artikelen in Simiolus of Het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek tuimelen over een niet aflatende stroom van stukken voor Openbaar Kunstbezit, Kunstschrift, Vrij Nederland, of het Cultureel Supplement van NRC-Handelsblad. Een zo groot veld van lezers overzien en bedienen is weinigen gegeven. De verschillende kanten blijken uit het feit, dat De Jongh een van de oprichters van Simiolus was in 1976, ook wel eens het tijdschrift van de Utrechts kunsthistorische maffia genoemd, maar van een hoog geleerd gehalte, terwijl hij vanaf 1990 eveneens redacteur was van Kunstschrift, met een lezerspubliek dat gedeeltelijk voortkwam uit Openbaar Kunstbezit. Bij Kunstschrift voelt hij zich blijkbaar thuis, want hij is nog steeds redacteur. Zelf stelt de laureaat dat hij nooit een specifiek publiek voor ogen heeft gehad. Hij volgt daarin Ernst Gombrich, die zijn Story of Art in dertig talen vertaald zag en een miljoenenpubliek kreeg, en in de inleiding schreef: ‘I never believed that books for young people should differ from books for adults,’. Dichter bij huis is het Gerrit Komrij, die vaak genoeg stelde dat je niet kunt spreken van ‘een groot publiek’, omdat dat niet een aanspreekbare massa is.De Jongh leert elke lezer kijken, terwijl deze moet lezen en kijken op hetzelfde moment. Hij is een meester is het ontrafelen van zeventiende-eeuwse voorstellingen, die iets anders betekenen dan zij op het eerste oog suggereren. Op dit gebied, de iconologie, kreeg hij het internationaal aan de stok met Svetlana Alpers, de Amerikaanse kunsthistorica die juist vond dat er werd voorgesteld wat er voorgesteld werd omdat men dat toen blijkbaar graag schilderde. Ook discussieerde hij in Museumjournaal met voorstanders van de moderne kunst voor wie het onderwerp van een kunstwerk triviaal zou zijn. De Jongh heeft het in zijn vele stukken in Kunstschrift duidelijk gemaakt voor iedereen: waarom Amor een honingdief is (1998), of plast (2006), waarom de reliekhouder van Thekla een heilig leeg hoofd is (2000), waarom de conceptie van Jezus via het oor van Maria verliep (2007), waarom fantasieën over de maan eeuwenoud en hardnekkig zijn (2008), of welke prentjes leerzaam zijn voor de jeugd (2009). Ook het werk van de populaire Peter Vos heeft zijn warme belangstelling. Zoveel onderwerpen toegankelijk maken voor zoveel mensen: wat hadden de dames De Gijselaar en Hintzen zich graag bij De Jonghs publiek aangesloten.
Typerend is wellicht, dat Eddy de Jongh in zijn curriculum vitae niet vermeldt dat hij ooit de Karel van Manderprijs ontving, en ook niet dat het maandblad Kunstschrift tijdens zijn redacteurschap in 2000 de Prins Bernard Cultuurfonds prijs kreeg – blijkbaar maalt hij daar niet om. De De Gijselaar-Hintzenfonds Prijs, die hij nu ontvangt, is voor zijn grote, persoonlijke bijdrage aan de volksopvoeding van Nederland, en ik hoop dat hij daar trots op is.
Namens de jury,
Claudine Chavannes-Mazel, voorzitter
Elk jaar reikt een jury van specialisten, die telkens door het Bestuur van de Vereniging van Kunsthistorici voor die gelegenheid wordt samengesteld, de zogenoemde Karel van Mander-Prijs uit voor de beste wetenschappelijke publicatie betreffende een bepaalde historische periode. De periode is gelieerd aan de jaarlijkse kunsthistorische bibliografie. Dit jaar stonden publicaties over de beeldende kunst 1500-1700 centraal met een totaal van een kleine duizend titels.
De jury 2010 bestond uit Gerbrand Korevaar (Rijksmuseum Amsterdam), Micha Leeflang (Museum Catharijneconvent Utrecht), Volker Manuth (Radboud Universiteit Nijmegen) en Henk van Veen (Rijksuniversiteit Groningen), onder voorzitterschap van Claudine Chavannes-Mazel (Universiteit van Amsterdam), tevens voorzitter van de VNK, met als secretaris Esther Dieltjes, bestuurslid VNK.
De jury hield de volgende criteria aan ter beoordeling: het onderzoek moest door de auteur zelf zijn uitgevoerd, en niet voortgekomen zijn uit een universitaire werkgroep; de publicatie moest getuigen van een originele benadering van het vakgebied en vernieuwend zijn wat betreft de aanpak en benadering, het onderzoek moest tot nieuwe inzichten leiden en exemplarisch zijn en toch toegankelijk geschreven zijn.
Tezamen met de schrijver van de Inleiding van de bibliografie 1500-1700, Anton Boschloo (emeritus hoogleraar schilderkunst Leiden), moesten de juryleden erkennen, dat het aantal publicaties vergeleken met de vorige bibliografie uit 2003, bijna was gehalveerd, en dat ondanks het Rembrandt-jaar. De kwaliteit van de publicaties was echter hoog, en tot hun vreugde constateerden zij dat ook dit jaar het schaap met vijf poten gevonden kon worden.
De procedure ging als volgt: uit de duizend titels werd een longlist samengesteld van ca 75 titels, waarbij alle korte artikelen afvielen, alsook publicaties waaraan de juryleden hadden meegewerkt. Tentoonstellingscatalogi en redactionele bijdragen kwamen alleen bij uitzondering in aanmerking. Publicaties uit deze longlist circuleerden en werden vervolgens door elk jurylid geprioriteerd tot een handzaam aantal. Daarna kwam de jury tweemaal bijeen: allereerst om uit de gekozen titels een shortlist samen te stellen, en tenslotte om na lezing van de genomineerde publicaties de uiteindelijke winnaar te kiezen.
De shortlist bestond uit 6 titels, in alfabetische volgorde zijn dit:
1. Piet Bakker, Gezicht op Leeuwarden, Schilders in Friesland en de markt voor schilderijen in de Gouden Eeuw, 2008.
2. Margriet van Eikema Hommes, Changing pictures: discoloration in 15th to 17th century oil paintings, Londen 2004.
3. Erik Hinterding, Rembrandt as an etcher: the practice of production and distribution, 3 dln., Ouderkerk aan den IJssel 2006.
4. Friso Lammertse en Jaap van der Veen, tent. cat. Uylenburgh & Zoon: kunst en commercie van Rembrandt tot De Lairesse 1625-1675, Amsterdam (Museum Het Rembrandthuis), Zwolle 2006.
5. Frits Scholten, Sumptuous Memories: studies in seventeenth-century Dutch tomb sculpture, Zwolle 2003.
6. Marieke de Winkel, Fashion and fancy: dress and meaning in Rembrandt’s paintings, Amsterdam 2006
Uit de titellijst valt al op te maken, dat inderdaad nieuwe terreinen zijn betreden, waaronder de verkleuring van verven en pigmenten, en de betekenis van kleding in Rembrandts schilderijen. De relatie kunst en commercie werd verder uitgediept met onbekend materiaal, Friese schilders kregen de aandacht die zij verdienden dankzij uitvoerig bronnenonderzoek, en grafsculptuur in Nederland, een ‘ondergeschoven’ onderwerp kwam in de schijnwerpers in het boek van Frits Scholten.
Het was niet eenvoudig, maar eensgezind kwam de jury tot de volgende voorkeur:
Op een gedeelde tweede plaats staan drie publicaties: die van Margriet van Eikema Hommes over verkleuring van schilderijen, van Piet Bakker over Friese schilders, en van Lammertse en Van der Veen over de firma Uylenburgh & Zoon.
Hieronder volgt een korte uitleg (in alfabetische volgorde):
Piet Bakker, Gezicht op Leeuwarden, Schilders in Friesland en de markt voor schilderijen in de Gouden Eeuw, 2008.
Tot voor kort werd het beeld van de 17de-eeuwse Friese schilderkunst bepaald door een veelheid aan artikelen en de twee delen over de portretkunst in Friesland in de 16de en 17de eeuw, bij elkaar een gefragmenteerd beeld opleverend. Hierin is verandering gekomen dankzij het proefschrift van Pieter Bakker. Zich vaak baserend op nieuw archivalisch onderzoek heeft Bakker veel nieuwe bronnen ontdekt en verwerkt. Zijn studie staat in de traditie van John Michael Montias spraakmakende boek van 1982 Artists and Artisans in Delft. A Socio-Economic Study of the Seventeenth Century, waarin het functioneren van de kunstmarkt in Delft en het schilderijenbezit van Delftse burgers centraal staat. Naast Delft is nu ook Leeuwarden op deze manier in kaart gebracht. Met oog voor detail maar zonder daarin te verdwalen is het Piet Bakker gelukt een bijzonder informatief inzicht te geven in de Friese schilderkunst van de Gouden Eeuw.
Margriet van Eikema Hommes, Changing Pictures - Discoloration in 15th to 17th Century Oil Paintings, Londen 2004
Een interdisciplinaire studie waarin de technische kunstgeschiedenis wordt gecombineerd met uitvoerig bronnenonderzoek (zoals schildertraktaten). Het boek is van fundamenteel belang voor zowel kunsthistorici, geïnteresseerd in schildertechniek, als voor restauratoren. Behalve dat het een beeld geeft van de wijze waarop schilderijen in de loop der tijd veranderen, wijst de auteur op de mogelijke intenties van de schilders zelf. Zij waren vaak goed op de hoogte van de wijze waarop bepaalde pigmenten van kleur konden veranderen en in het tweede deel van het boek wordt uitvoerig ingegaan op de manier waarop de kunstenaars deze verkleuringen probeerden tegen te gaan. Zoals blijkt uit het hoofdstuk over Rafaels Transfiguratie kunnen resultaten van het technisch onderzoek ook iconografische consequenties hebben.
Friso Lammertse en Jaap van der Veen, tent. cat. Uylenburgh & Zoon: kunst en commercie van Rembrandt tot De Lairesse 1625-1675, Amsterdam (Museum Het Rembrandthuis), Zwolle 2006.
Ook hier is voortreffelijk archiefonderzoek de basis van onderzoek geweest, waardoor Amsterdam als internationaal centrum van de kunsthandel in de 17de eeuw voor het voetlicht komt. De studie beperkt zich niet alleen tot dit thema, maar geeft ook een unieke kijk op afkomst en milieu van de Uylenburgh en zo van de toen cultureel gezien belangrijke doopsgezinde kringen en netwerken in Friesland en Holland. Dus ook op cultuurhistorisch en prosopografisch terrein is het boek een belangwekkende bijdrage.
Hoe goed en gedegen genoemde boeken ook zijn, de winnaar was nog meer gedegen, nog grondiger in zijn onderzoek en nog verrassender in zijn uitkomsten. Geheel verdiend, krijgt Erik Hinterding met zijn drie delen Rembrandt als etser de Karel van Mander 2010 uitgereikt.
Erik Hinterding, Rembrandt as an etcher: the practice of production and distribution, 3 dln., Ouderkerk aan den IJssel 2006
Binnen de hausse aan publicaties die in (de aanloop van) het Rembrandtjaar in 2006 zijn verschenen, vormt het onderzoek naar Rembrandts watermerken van Erik Hinterding een hoogtepunt. Een studie naar de materiële eigenschappen van de fysieke drager lijkt in eerste instantie te getuigen van bescheiden kunsthistorische pretenties, maar het verdient alleen al bewondering om in de wirwar aan technische gegevens structuur aan te brengen. Als watermerken-naslagwerk is het onderzoek onontbeerlijk voor specialisten. Juist bij de interpretatie van deze gegevens verkrijgt de studie echter zijn eigenlijke betekenis: het bevat nieuwe inzichten over Rembrandts techniek, zijn biografie, dateringen, de genese van individuele werken en zijn artistieke ontwikkeling, of de verhouding tot andere kunstenaars. Hinterding heeft met deze studie diverse traditionele hypothesen kunnen bevestigen of verwerpen en blijkt daarbij een nauwgezet onderzoeker, die wikt en weegt en vervolgens tot uiterst afgewogen oordelen komt. Een grote materiële kennis gaat samen met een gevoel voor de beeldende mogelijkheden van etsnaald en inkt, en een scherp kennersoog. De juiste vraagstellingen worden getoetst door een doorwrochte omgang met kunsthistorische bronnen en een methodisch exemplarische benadering van de technische data. Hinterding heeft een studie geschreven die verplichte kost is voor komende generaties onderzoekers naar Rembrandts grafische oeuvre.
Namens de jury,
Prof.dr Claudine A. Chavannes-Mazel
voorzitter
Amsterdam, 25 november 2010
Net als vorig jaar had de jury van de Jan van Gelderprijs uiteindelijk de keuze tussen een zestal interessante en goede publicaties. De penningmeester van de Vereniging Nederlandse Kunsthistorici heeft, nadat we vorig jaar de prijs aan twee publicaties gunden, ons op het hart gedrukt dat niet nogmaals te doen in verband met de kosten die daarmee gepaard gaan. Wij hebben een heel zuinige penningmeester, in deze tijden zeker een aanwinst.
Zes publicaties allemaal met hun eigen merites en heel divers zo schreef Hanneke van Asperen over Pelgrimsteksens op perkament; originele en nageschilderde bedevaartssouvenirs in religieuze boeken (ca. 1450-ca. 1530), Louis van den Hengel over Imago: Romeinse keizersbeelden en de belichaming van gender, Matthijs Ilsink over Bosch en Brueghel als Bosch. Kunst over kunst bij Pieter Brueghel en Jheronimus Bosch, Vivian Saaze publiceerde Doing Artworks. Nieuwe kijk op conservering van veranderlijke kunstwerken en Merel van Tilburg dong mee naar de prijs met diverse artikelen die in 2009 verschenen in het tijdschrift de Witte Raaf. Als laatste noem ik Liesbeth Zuidema met haar dissertatie Verbeelding en ontbeelding Kartuizers.
Net als andere jaren, kostte het ons moeite om een winnaar aan te wijzen, zoals ik al zei: alle publicaties hebben zo hun eigen kracht en eigen originele inbreng, zienswijze en bijdrage aan de kunsthistorische wetenschap. Uiteindelijk kozen we, na lang beraad en veel emailverkeer en koffie voor de gepubliceerde versie van de dissertatie van Louis van den Hengel over de belichaming van gender in Romeinse keizerbeelden.
Van den Hengel studeerde in 2003 cum laude af in de Griekse en Latijnse Taal en Cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij specialiseerde zich in de klassieke archeologie en de hedendaagse genderstudies en kritische theorie. In 2009 promoveerde hij cum laude aan de RU op de studie Imago. Romeinse keizerbeelden en de belichaming van gender. Voor de handelseditie heeft hij nu de Jan van Gelderprijs gewonnen.
Van den Hengel werkte twee jaar als docent bij de afdeling Cultural Sexuality Studies van het Institute for Gender Studies aan de RU. Momenteel werkt hij als docent en post doc onderzoeker bij het Centrum voor Gender en Diversiteit van de Universiteit Maastricht, waar hij een onderzoek opzet met als werktitel Exchanging Energies. The Transmission of Affect in Contemporary Performance Art. Daarnaast is hij redactielid van het Tijdschrift voor Genderstudies.
Bij het aanwijzen van de prijs aan Van den Hengel heeft de jury het volgende overwogen:
Genderstudies zijn tegenwoordig populair. Maar het is in deze tak van sport uiterst lastig om tot wetenschappelijk steekhoudende interpretaties te komen, die bovendien nog begrijpelijk blijven voor de lezer die niet gepokt en gemazeld is in deze materie en zijn voornaamste auteurs. De studie van de classicus Van den Hengel over de Romeinse keizerportretten is volgens de jury een schoolvoorbeeld van een uiterst inzichtelijk en gedegen studie op dit terrein; de jury vond het boek lezen als een roman, ondanks het feit dat slechts weinig juryleden veel kennis hadden van genderstudies, bleef het betoog helder en boeiend.
Het probleem, 'de belichaming van gender' zoals de auteur in de ondertitel veelzeggend stelt, is uiterst consequent en met een karrevracht aan primaire en secundaire literatuur overtuigend uitgewerkt. Hoe theoretisch en breed behandeld ook, het betoog blijft steeds goed te volgen. De auteur bespreekt veel andere pogingen een gender-benadering op zijn terrein toe te passen, maar relativeert of ontkracht die ook, zoals bijvoorbeeld de fallische interpretatie van de plattegrond van het Forum Romanum. Door het boek heen blijft eigenlijk steeds het begin van het onderzoek resoneren. In de inleiding schetst de auteur namelijk hoe hij in een verlaten museumzaal een antiek Augustusportret met de vingers zorgvuldig aftast. Ik citeer de auteur omdat het stuk volgens ons zoveel zeggend is voor het gehele boek. `De custode, die mij naar deze afgesloten vleugel van het Museo Chiaramonti heeft begeleid en zich nogal verveeld heeft geposteerd naast een of andere Romeinse generaal, werkt me op de zenuwen. Ik zeg hem dat ik van plan ben hier nog een uur of vijf te blijven en dat hij, als hij me deze ruimte tenminste toevertrouwt, best even koffie kan gaan drinken. Hij vindt het een goed plan en sluit me in (een routine waaraan we nog weken zullen vasthouden). Voor het Augustusportret blijf ik een tijd wachten op een idee. Het gevoel bekruipt me dat ik temidden van al deze versteende Romeinen nog steeds niet alleen ben, maar wat ik daarmee wetenschappelijk gezien moet aanvangen weet ik niet. Ik kijk naar het beeld en het beeld kijkt terug: wat moet ik daar nu over zeggen? Dan doe ik iets waarvan jaren van museale etiquette – een combinatie van goed fatsoen en een kinderlijke angst voor straf – mij effectief hebben weten te weerhouden: ik pak het beeld vast.
Het fysieke contact met het kunstwerk is een merkwaardige sensatie. [...] Niet alleen is de lichamelijkheid van het portret bijna overweldigend, ook maakt het beeld mij zelf op de een of andere manier bewuster van mijn eigen lichaam, dat hier in de ruimte staat en dat dit beeld bekijkt en betast. [...] door de intieme ontmoeting met Augustus realiseer ik me dadt de betekenis van het Romeinse keizerportret onlosmakelijk verbonden is zowel met de lichamelijke dimensie van het beeld als met de belichaamde positie van de waarnemer. Op dat moment weet ik waarover ik wil schrijven.´
De fysieke ervaring die Van den Hengel beschrijft maakt de mannelijkheid van deze beelden direct ervaarbaar en vormt dan ook het uitgangspunt voor zijn onderzoek. Zijn onderzoeksvraag luidde: Welke betekenissen werden er in de oudheid toegekend aan het Romeinse keizersportret als geseksueerd lichaamsbeeld, en hoe kunnen we deze theoretisch analyseren? Daarbij wordt het portret belicht vanuit zowel het perspectief van de keizer als door de ogen van de antieke beschouwer. Aan de hand van verschillende casestudies wordt de samenhang nagegaan tussen de sociopolitieke betekenis van het keizerportret en de lichamelijke - gegenderde en geseksualiseerde - dimensie van het beeld zelf, alsook de belichaamde positie van antieke toeschouwers. Daarnaast heeft Van den Hengel aan de hand van de poststructuralistische theorie, de feministische filosofie en de psychoanalyse een theoretisch raamwerk ontwikkeld waarmee de lichamelijke en affectieve werking van de keizerlijke portretkunst kan worden geanalyseerd.
Het gaat hier, volgens de jury, niet alleen om een verdieping van inzichten, maar om een andere manier van kijken. Van den Hengels invalshoek maakt dat men zich vragen gaat stellen over zijn eigen geconditioneerde blik. Dat acht de jury een grote verdienste binnen de kunstgeschiedenis. Het heeft er toe geleid dat de jury dit jaar de Jan van Gelderprijs wil toekennen aan het proefschrift van Louis van den Hengel waarbij zij uitdrukkelijk aantekent dat deze keuze geen afbreuk enkele doet aan de prestaties van de andere genomineerden.
Mayken Jonkman, voorzitter jury Jan van Gelderprijs
De Kunsthistorische Dag van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici (VNK) vond dit jaar plaats op vrijdag 20 november 2009 en had als thema: 'Kunsthistorici gaan digitaal!'. Gastheer was het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) in Den Haag. Op deze dag werd ook de Karel van Manderprijs uitgereikt.
De Karel van Manderprijs wordt jaarlijks uitgereikt voor een waardevolle publicatie van een Nederlandse of in Nederland werkende auteur en was dit jaar gekoppeld aan de bibliografie met publicaties over Beeldende kunst en Kunstnijverheid 1700-1850, die werd samengesteld door Mariël Ellens en ingeleid door Paul Knolle (Rijksmuseum Twente). Laatstgenoemde nam ook zitting in de jury onder voorzitterschap van Claudine Chavannes-Mazel, de voorzitter van de VNK. Verder bestond de jury uit Edward Grasman (Universiteit Leiden), Debora Meijers (Universiteit van Amsterdam) en Freek Schmidt (Vrije Universiteit).
Zij zagen zich voor een vrijwel hopeloze taak gesteld: er waren uitzonderlijk goede aanvragen, en een aantal was werkelijk zo uitstekend, dat de jury tot een bijzondere, dubbele prijsuitreiking besloot.
Uit de omvangrijke bibliografie destilleerde secretaris Esther Dieltjes een longlist bestaande uit een kleine 70 titels. Deze werden tijdens een eerste ronde grondig bekeken: het was rijp en groen, klein en groot bij elkaar. Na nog eens twee rondes bleef een shortlist over van zes titels, waaronder De wereld van Christiaan Andriessen. Amsterdamse dagboektekeningen 1805-1808 van Annemieke Hoogenboom. De jury geeft haar een eervolle vermelding als voorbeeld van hoe wij als kunsthistorici bezig zouden moeten zijn: wetenschappelijk, maar ook toegankelijk. Het idee ontstond om in de toekomst een aparte prijs in te stellen voor publicaties die het gewone publiek op hoog niveau kennis verstrekken.
Twee boeken uit de shortlist vond de jury uitzonderlijk goed wat betreft kwaliteit en diversiteit: de studie van Everhard Korthals Altes, over de verovering van de internationale kunstmarkt door de zeventiende-eeuwse schilderkunst, en het boek van Robert Verhoogt, over de reproductie van kunst in de negentiende eeuw. In beide publicaties wordt een nieuw terrein betreden, waarin elke auteur zijn veelzijdige talenten kan etaleren. Zij vullen elkaar bovendien onverwacht aan: Korthals Altes noteert de belangstelling in het buitenland in de achttiende eeuw voor de Nederlandse kunst door middel van verzamelen, en Verhoogt die in de negentiende eeuw voor Nederlandse productiegrafiek. Hoe uiteenlopend onderwerp en aanpak van beide auteurs ook zijn, uiteindelijk besloot de jury beide publicaties met de eerste prijs te bekronen:
Everhard Korthals Altes, De verovering van de internationale kunstmarkt door de zeventiende-eeuwse schilderkunst. Enkele studies over de verspreiding van Hollandse schilderijen in de eerste helft van de achttiende eeuw, Leiden: Primavera Pers 2003
Robert Verhoogt, Art in Reproduction. Nineteeenth-Century Prints after Lawrence Alma-Tadema, Jozef Israëls and Ary Scheffer, Amsterdam: Amsterdam University Press 2007
De laureaten ontvingen ieder een bedrag van € 500,- en een trofee ontworpen door Manita Kieft.
Jochem Kroes, Chinese armorial Porcelain for the Dutch market, Den Haag/Zwolle 2007
Uw monumentale boek - maar liefst 718 bladzijden omvattend – brengt voor het eerst een fenomeen in kaart dat kenmerkender blijkt te zijn voor de Nederlandse kunstgeschiedenis dan werd aangenomen. Chinees wapenporselein leek altijd meer een Engelse, Portugese of Amerikaanse aangelegenheid, al was natuurlijk bekend dat er ook serviezen zijn met Nederlandse wapens. Dat blijken er nu zelfs zo’n 500 te zijn, waarvan er 455 in dit boek zijn beschreven en afgebeeld. Bovendien blijkt de ontwikkeling van Chine de commande wapenporselein in Nederland relatief vroeg te zijn ingezet – niet verwonderlijk, gezien de geschiedenis van de VOC – en zijn verschillende typen en patronen als uniek voor ons land geanalyseerd.
U, mijnheer Kroes, bent geen kunsthistoricus. U bent in 1991 gepromoveerd in de sociale geografie en werkt sinds 1989 bij het Centraal Bureau voor Genealogie. De ingang tot het wapenporselein lag voor U dan ook bij de wapens en dit wordt weerspiegeld in de opzet van het boek. Wat echter bewondering afdwingt, en de jury heeft gemotiveerd U de Frederiksprijs toe te kennen, is dat U zich het gebied van de kunstgeschiedenis en de daarbij behorende methodes voldoende heeft eigengemaakt om tot een voldragen publicatie te komen. Voor de classificatie van het materiaal bent U zo verstandig geweest aan te knopen bij het systeem, ontwikkeld door de Engelse kenner op dit gebied, David Howard. Daardoor sluit Uw boek aan bij de internationale publicaties over Chinees wapenporselein en zijn de gegevens beschikbaar voor studies die het Nederlandse overstijgen – mede doordat het boek in het Engels is verschenen. Maar het speurzoeken, het niet aflaten voordat zo veel mogelijk bewaard gebleven objecten zijn getraceerd en zo mogelijk gehanteerd, de tact en doorzettingsvermogen vereisende contacten met eigenaren van porselein en met andere onderzoekers – uit alles in Uw boek blijkt dat U die hele praktijk van het op objecten gerichte kunsthistorische onderzoek hebt omhelsd – met bewonderenswaardig resultaat.
In de commentaren op de afzonderlijke serviezen hebt U vervolgens Uw heraldische en genealogische belangstelling de vrije loop gelaten. Daardoor is een enorme hoeveelheid gegevens over Nederlandse opdrachtgevers bijeengebracht, gekoppeld aan bewaard gebleven voorwerpen – een ware Fundgrube voor iedere onderzoeker op het gebied van de Nederlandse 18de-eeuwse kunst- of cultuurgeschiedenis. U hebt niet alleen het porselein geclassificeerd, maar ook de opdrachtgevers en eigenaren naar categorieën ingedeeld. Het resultaat is een zeldzaam uitvoerige en inspirerende bijdrage tot de geschiedenis van de kunstnijverheid in Nederland. Niet voor niets heeft de publicatie van het boek al geleid tot een tentoonstelling over dit onderwerp in het Haagse Gemeentemuseum. We kijken uit naar nieuwe vruchten die het werk ongetwijfeld zal dragen.
Proefschrift: Richard Harmanni, Jurriaan Andriessen (1742-1819): behangselschilder, z.pl. 2006
De 18de eeuw is lang een stiefkind geweest binnen de Nederlandse kunstgeschiedenis, en in het bijzonder geldt dit voor de decoratieve schilderkunst, die samen met stucwerk toen de belangrijkste decoratieve afwerking vormde in huizen en openbare gebouwen in Nederland. Door uw onderzoek naar de zeven stijlkamers uit het stedelijke Amsterdamse bezit – al decennia lang niet meer tentoongesteld – stuitte U op de unieke ateliernalatenschap van Jurriaan Andriessen, verdeeld over het Amsterdamse Stadsarchief en het Prentenkabinet van het Rijksmuseum. Deze fantastische bron – circa 490 tekeningen waarvan bijna 300 behangselontwerpen – vormt de basis van Uw, door de Jury vandaag bekroonde en omvangrijke proefschrift.
Die schier onoverzienbare hoeveelheid tekeningen van vrijwel uitsluitend landschappen, heeft U met grote inventiviteit en oog voor elk op zich vaak onbetekenend detail, weten te ordenen tot sets van bij elkaar horende ontwerpen voor afzonderlijke vertrekken. Op het merendeel van deze sets bleek vervolgens wel ergens de naam van een opdrachtgever vermeld te zijn en onverwacht kwam hiermee ook vrijwel de gehele klantenkring van Andriessen in beeld en daarmee geheel nieuwe onderzoeksmogelijkheden. De vage naamsaanduidingen heeft U door uitputtend archiefonderzoek niet slechts vrijwel allemaal kunnen identificeren, maar tevens hun woningen, in Amsterdam maar ook elders, getraceerd. Zelfs zijn van deze – deels niet meer bestaande – huizen zoveel gegevens achterhaald dat de plaats van het vertrek binnen de woning meestal kan worden bepaald.
Eerst hierna kan, tegen de achtergrond van een uitvoerig hoofdstuk over de geschiedenis van de toepassing van deze geschilderde wandbehangsels in Nederland, het feitelijke interpreteren en de analyse van al dit materiaal beginnen! Dat betreft uiteenlopende invalshoeken zoals natuurlijk Andriessens opleiding en loopbaan, zijn leerlingen en zijn tot nu toe onbekende bemoeienissen met de kunsthandel, evenzeer als het sociale netwerk dat tussen zijn opdrachtgevers blijkt te hebben bestaan. Of het soort vertrekken dat voor dit type decoratie in aanmerking kwam, maar ook de ruimtelijke werking die Andriessen met zijn landschapschilderingen in de interieurs beoogde. En vanzelfsprekend de schilderingen zelf en de ontwerpen daarvoor: de diverse genres zoals klassiek-arcadisch, Italianiserend of inheems Hollands; hun thematiek: al of niet historisch, landschappelijk of zuiver decoratief, maar ook de toegepaste perspectivische hulpmiddelen. Tenslotte is er de uitvoerige catalogus van alle bewaarde schilderingen en ontwerpen, met diverse bijlagen, onder meer over zijn opdrachtgevers en hun huizen.
Het resultaat is een dusdanig compleet beeld van Andriessens werkzaamheden en de door hem gedecoreerde interieurs, zoals dat van géén van zijn collega’s ooit nog zal kunnen worden geëvenaard, een resultaat dat een belangrijke bijdrage biedt aan de geschiedenis van het Nederlandse interieur. De Jury is vooral onder de indruk van de breedheid van Uw onderzoek; hopelijk vormt de prijs een stimulans deze resultaten in een op een grotere lezerskring gerichte publicatie een wijdere verspreiding te geven.
Toen ik hier een jaar geleden stond te beweren dat veel te weinig jonge kunsthistorici de kans krijgen gedegen en diepgravend onderzoek te doen om dat vervolgens te kunnen publiceren, kon ik niet bedenken dat de jury van de Jan van Gelderprijs dit jaar een vijftal erg goede publicaties onder ogen zou krijgen die ons aardig wat hoofdbrekens zouden kosten. Uiteindelijk hebben we dan ook besloten om aan twee auteurs de prijs toe te kennen, namelijk Wibo Bakker met Droom van Helderheid. Huisstijlen, ontwerpbureaus en modernisme in Nederland: 1960-1975 (ongepubliceerd proefschrift, Universiteit Utrecht) en Thijs Weststeijn met de handelseditie van zijn proefschrift: The Visible World. Samuel van Hoogstraten's Art Theory and the Legitimation of Painting in the Dutch Golden Age (Amsterdam University Press, 2008).
Wibo Bakker (1974) ging na zijn opleiding tot grafisch ontwerper aan de Hoge School voor de Kunsten in Arnhem Taal en Cultuurstudies studeren. Daarna werd hij aangesteld als Aio aan de Universiteit Utrecht. Hij promoveerde in juni 2009. In zijn proefschrift gaat hij in op de ontwikkeling van de huisstijl in Nederland tussen 1960 en 1975. In de jaren zestig voerden KLM, DSM, SHV (Steenkolen Handels Vereeniging), Albert Heijn en Nederlandse Spoorwegen als eerste grote bedrijven in Nederland huisstijlen in. Grafisch ontwerpers meenden dat huisstijlen een positieve uitwerking op de maatschappij als geheel konden hebben, terwijl de bedrijven zelf de huisstijl vooral zagen als een manier om hun imago te verbeteren. De huisstijlen van grote bedrijven in deze periode waren de visuele manifestatie van de moderne industriële natie die Nederland na de Tweede Wereldoorlog was geworden. Veel grote huisstijlen werden ontworpen door de Nederlandse bureaus Tel Design en Total Design. Hieraan waren ontwerpers verbonden als Wim Crouwel en Gert Dumbar. Wibo Bakker stelt dat de huisstijlen uit de jaren zestig zich kenmerkten door hun modernistische karakter. Ontwerpers hoopten dat hun huisstijlen communicatie effectiever zouden maken en een positieve uitwerking zouden hebben op de maatschappij als geheel. Tegenover hun opdrachtgevers benadrukten ze vooral de huisstijl als een vorm van normalisatie. Bedrijven daarentegen zagen huisstijlen in essentie als een manier om hun imago positief te beïnvloeden. Nederlandse ontwerpbureaus stonden kritisch tegenover deze marktgerichte manier van denken. Het Engelse ontwerpbureau AID – dat de marktgerichte benadering van huisstijlen wél overnam – groeide uit tot een belangrijke concurrent van de Nederlandse bureaus. Begin jaren zeventig ontwikkelde de publieke opinie een negatieve houding ten aanzien van het bedrijfsleven. Ook Nederlandse ontwerpers gingen hier in mee, zo constateert Bakker. Tegelijkertijd kwam de modernistische ontwerpbenadering in de ontwerpwereld onder druk te staan. Ontwerpbureaus gingen zich in toenemende mate richten op de publieke sector en de rijksoverheid.
Vraagstelling in dit onderzoek is: hoe verliep de ontwikkeling van grafische betekenissystemen in Nederland tussen 1960 en 1995? Deze ontwikkeling wordt inzichtelijk gemaakt door de voorgeschiedenis van deze systemen, het ontwikkelingsproces van deze systemen, de theorievorming over deze systemen, en de maatschappelijke context waarbinnen deze systemen werden gerealiseerd, te onderzoeken. Cases die hierbij behandeld worden zijn o.a. NS, Albert Heijn, KLM, PTT, het Ministerie van Justitie en de Rabobank.
Thijs Weststeijn, eveneens uit 1974, studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en is daar nu werkzaam als docent. Ook zijn promotie deed hij aan deze universiteit met uitstapjes naar de Getty en de University of London. Zijn publicatie behandelt de geschriften van de schilder en dichter Samuel van Hoogstraten (1627-1678), leerling van Rembrandt, en verklaart zijn gebruik van schilder thema’s en theorieen uit de Nederlandse zeventiende eeuw. Van Hoogstraten baseerde zijn gedachten zowel op een verscheidenheid van literaire, filosofische en artistieke bronnen, als op historische en reisverslagen, bij het schrijven van Inleyding tot de Hooge Schoole der Schilderkonst, anders de zichtbaere werelt een dwarsdoorsnede van de algemene zeventiende eeuwse visie op kunst in Holland. Hoewel verschillende generatiegenoten van Van Hoogstraten hebben geschreven over de beeldende kunsten, staan de 17de-eeuwse Nederlanden niet bekend om een coherente kunsttheorie. Weststeijn beoogt dit beeld bij te stellen in zijn veelomvattende studie. De kleurrijke Samuel van Hoogstraten was er voortdurend op uit zijn persoonlijk aanzien en dat van zijn artistieke activiteiten te vergroten. Zijn kunsttheoretische werk werd in het verleden beschouwd als een amalgaam van gemeenplaatsen en verwijzingen naar klassieke bronnen, waarmee de auteur vooral zijn eigen gestudeerdheid wenste te etaleren. Thijs Weststeijn stelt dit beeld ter discussie. Zijn boek laat overtuigend zien hoe Van Hoogstratens ‘Inleyding’ is geworteld in de traditie van de klassieke retorica en filosofie, en de ambitie heeft het aanzien van de schilderkunst te verhogen. Door het traktaat te plaatsen in de 17de-eeuwse literaire en intellectuele context, maakt Weststeijn duidelijk dat de auteur met al zijn geleerde aanhalingen aansluit bij de retorische vorm van de zogenaamde epideiktische redevoering, een tekst waarvan het onderwerp op ostentatieve wijze, zo aantrekkelijk mogelijk wordt gepresenteerd. De schilderkunst wordt nadrukkelijk gepositioneerd als een van de, aan het intellect ontspruitende vrije kunsten, de artes liberales. De rode draad bij Weststeijn vormt het concept ‘de zichtbaere werelt’ uit Van Hoogstratens ondertitel. Essentieel in de ‘Inleyding’ is de opvatting van een ‘volmaeckte Schildery als een spiegel van de Natuer’, en van de schilderkunst als een ‘wetenschap, om alle ideeën, ofte denkbeelden, die de gansche zichtbare natuer kan geven, te verbeelden’.
De werken van Bakker en Weststeijn zijn helder geschreven en maken ingewikkelde materie inzichtelijk voor de lezer. Hun benadering van het onderwerp verschilt echter wezenlijk.
Bakker begeeft zich op onontgonnen terrein en maakt gebruik van uitgebreid bronnenmateriaal dat nog niet eerder op deze wijze is belicht. Daarbij moeten we hem complimenteren met zijn volharding in het speuren naar materiaal. Vooral het doorlezen van oeverloze notulen van managementteams op zoek naar uitspraken over huisstijlen zal geen sinecure zijn geweest. Hoewel grote Nederlandse ontwerpers, als Wim Crouwel, al regelmatig onderwerp zijn geweest van monografieën, is niet eerder een dergelijke scope losgelaten op de ontwikkeling van huisstijlen in Nederland. Een veelheid aan bronnen, waaronder ook interviews met betrokkenen, is gebruikt om het verhaal te vertellen. Bakkers onderzoek levert een prachtige basis voor verder onderzoek. Zijn proefschrift zal in de komende jaren als bron gebruikt worden waar men nog in lengte van dagen op kan terug grijpen.
Hoe anders was de werkwijze van Thijs Weststeijn die een onderwerp ter hand nam waar al vaak over is geschreven en meer dan eens denigrerend ter zijde geschoven. Een welbekend onderwerp binnen de kunstgeschiedenis dat hij van een geheel nieuwe invalshoek voorzag waardoor met verse waardering naar Hoogstratens ‘Inleyding’ gekeken kan worden. Net als Bakker, is Weststeijns blik zeer ruim en de jury was onder de indruk van de veelheid aan bronnen en teksten die gebruikt zijn om zijn betoog te ondersteunen. Weststeijns handelseditie zal over 50 jaar nog steeds als kernstudie over kunsttheoretische literatuur in de Gouden Eeuw worden beschouwd.
Naar onze mening leveren beide auteurs met hun onderzoek een onmisbare bijdrage aan de ontwikkeling van de kunstgeschiedenis waarvan anderen kunnen profiteren en leren.
Mayken Jonkman, voorzitter jury Jan van Gelderprijs
Jury van de Jan van Gelderprijs:
Jeroen Goudeau, universitair docent van de geschiedenis van de bouwkunst nieuwere tijd, Universiteit Nijmegen
Mayken Jonkman, conservator negentiende-eeuwse kunst, RKD Den Haag (voorzitter)
Pieter Roelofs, conservator zeventiende-eeuwse schilderijen, Rijksmuseum Amsterdam
Dirk Torenvlied, medewerker bibliotheek RKD Den Haag
Marguerite Tuijn, freelance-kunsthistoricus
Patricia van Ulzen, feelance-kunsthistoricus en docent aan de Open Universiteit
Hieronder vindt u het juryrapport van de Karel van Mander Prijs 2007, uitgesproken door jurylid Wendelien van Welie-Vink, tijdens de Kunsthistorische Dag van de VNK op 7 november 2008.
De jury van de Karel van Manderprijs 2007 zag zich geplaatst voor een aangename taak. Dankzij - en op initiatief van - de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici was kort tevoren een bibliografie van ruim 750 titels gepubliceerd betreffende Middeleeuwse kunst en kunstnijverheid, en geschreven door Nederlandse kunsthistorici tussen 2002 en 2007. Onder zoveel titels moesten wel meesterwerken schuilgaan. Een van de juryleden, Claudine Chavannes, had bovendien de inleiding op de bibliografie geschreven en beschikte dus al over een overzicht van het materiaal. De jury bestond verder uit de leden: Henk van Veen, voorzitter Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici, Esther Dieltjes, secretaris Karel van Manderprijs, een gremium van de verschillende universiteiten op het gebied van Middeleeuwse kunst, namelijk de hoogleraren Christian Klamt en Jos Koldeweij, en Wendelien van Welie-Vink.
Allereerst destilleerde Esther Dieltjes uit de 750 titels een longlist: alle korte artikelen vielen af, alsook de publicaties waar juryleden aan hadden meegewerkt. Tentoonstellingscatalogi en redactionele bijdragen kwamen niet in aanmerking, en alleen bij uitzondering werden publicaties opgenomen van meerdere auteurs. Zo bleven ruim 50 titels over.
Tijdens een vrolijke maar tegelijkertijd bijzonder serieuze bijeenkomst hebben de juryleden de publicaties van de longlist in handen gehad, een grote tafel vol. De vergadering duurde daardoor lang, maar was zeer verhelderend, en bracht uiteindelijk de jury tot een unanieme voordracht.
Het was rijp en groen, klein en groot bij elkaar. Vóór alles werd de grote diversiteit van onderwerpen als een pluspunt gezien. Het grote aantal dissertaties was opvallend; niet alle waren alleen maar kunsthistorisch, juist vele promovendi hadden met succes een breder terrein weten te bestrijken. Aanvankelijk hadden we het liefst 10 of 15 publicaties uitverkoren. Wat had Truus van Bueren veel werk verzet met haar memorieboeken, wat had Herman Colenbrander zijn nek uitgestoken met zijn dissertatie over de Gebroeders Limburg, hoeveel kennis sprak er wel niet uit Peter van Daels Verbeelding van het Woord, en uit het onderzoek van Elisabeth den Hartog met haar Romaans Maastricht. Margriet Hoogvliets dissertatie over Mappae mundi oogstte lof, net als de proefschriften van Anne Sophie Lehmann en Anneke de Vries. En wat jammer dat de catalogus Geloof en Geluk van jurylid Koldeweij niet mee mocht dingen.
Uiteindelijk was het samenstellen van een shortlist minder moeilijk dan gedacht. Kwaliteit en ongebaande paden gingen samen in een aantal publicaties. In alfabetische volgorde waren dat de boeken van:
Justin Kroesen en Regnerus Steensma
Machteld Israels
Victor Schmidt
Marieke van Vlierden
Enige uitleg is hierbij nodig, omdat de jury duidelijk wil maken waarom zij tot deze shortlist kwam. Justin Kroesen en Regnerus Steensma hebben in grote eensgezindheid samengewerkt op een geheel nieuw terrein, en hun onderwerp was zo wijds, en hun fysieke inspanningen waren zo hoog, dat de een niet zonder de ander had kunnen werken. Hun The Interior of the Medieval Village Church kwam uit bij Peeters in Leuven in 2004. Machtelt Israels dwingt respect af voor de intellectuele speelsheid en bescheidenheid waarmee zij zulk een gewaagd onderwerp, een monografie over één altaarstuk van de Italiaanse kunstenaar Sassetta en zijn opdrachtgevers, tegemoet heeft getreden. Haar proefschrift, getiteld Sassetta’s Madonna della Neve. An Image of Patronage, verdedigde zij in 2003 in Amsterdam. Victor Schmidt lijkt inmiddels alles te weten over de intieme devotiepanelen waarmee de 14de-eeuwse gelovige zich wilde omringen. Marieke van Vlierden, tenslotte, werkte weliswaar samen met Henri Defoer en Hortense Höppener-Bouvy aan de catalogus Hout- en steensculptuur van Museum Catharijneconvent ca 1200-1600, maar haar aandeel was overtuigend, haar aanpak gedegen, haar kennis opvallend.
Wat te doen. De vier boeken weerspiegelen stuk voor stuk op hoog niveau de jaren onderzoek en het plezier, die schijnbaar moeiteloos besteed zijn. De geëtaleerde vakkennis stemde de jury tot grote vreugde. Uiteindelijk kwam men schoorvoetend tot de conclusie, dat sommige werken toch meer lof verdienden dan andere. Marieke van Vlierden en Machtelt Israels krijgen een gedeelde derde en vierde plaats, al was het met bloedend hart. Victor Schmidt verdient van de jury een tweede plaats. Met name zijn hoofdstukken ‘Prayer, Painting and Setting’ en ‘Small versus Large: The Subject matter of Small Scale Panel painting and Their Relationship tot Monumental Painting’ geven aan hoe geverseerd en geleerd hij zijn visie op devotiepanelen in pre-Renaissance Italië heeft verwoord.
De eerste plaats, en hier was iedereen het over eens, gaat naar het boek van Justin Kroesen en Regnerus Steensma, de ‘kerkentandem’ die van 1998 tot 2004 elke zomer erop uittrok en de interieurs van een kleine 1000 dorpskerken onderzocht en fotografeerde. ‘De handige jongens’ werden ze in de plaatselijke pers genoemd, hun gedegen en bevlogen arbeid geroemd. Zelf leefden ze op krentenbollen van de Aldi want die bleven 2 weken goed. Maar het zou onterecht zijn de padvindersrol te benadrukken. Het is één groots opgezet bronnenonderzoek geworden met in de hoofdrollen de vrijwel onbekende - of alleen plaatselijk bekende - middeleeuwse dorpskerkjes van Zweden tot Toscane. Als liturgiehistorici wisten ze, veel meer dan kunsthistorici, eenmaal thuisgekomen, met het verzamelde materiaal de functie en betekenis te achterhalen, ontwikkeling van thema’s en lokaal gebruik te vinden, mode en religie te scheiden, geloof en afgoderij te onderkennen, verder archiefonderzoek te doen en verbanden te leggen. Het boek kent zo verschillende niveaus: hier is voor het eerst een beschrijving van een schitterende verzameling Europese kunstschatten, die in Nederland slechts spaarzaam voor handen is, en tegelijkertijd is er een grote hoeveelheid wetenschappelijke kennis bijeengebracht over één specifiek gebied: het cultureel erfgoed van de gewone middeleeuwse dorpsbewoner, die trots was op zijn geloof, en veel voor zijn kerkgebouw overhad.
De jury is van mening dat de komende generatie wetenschappers veelvuldig dit boek met zijn vernieuwend onderzoeksprofiel als beginpunt voor eigen onderzoek ter hand zal nemen, en de methodische aanpak ervan op waarde zal schatten.
De jury van de Jan van Gelder Prijs heeft besloten om dit jaar geen prijs uit te reiken, omdat zij van mening was dat geen van de in aanmerking gekomen publicaties over het niveau beschikte dat men van een prijswinnaar mag verwachten.
Hieronder de toespraak die juryvoorzitter Mayken Jonkman hield op 7 november
Overdenkingen naar aanleiding van het niet uitreiken van de Jan van Gelderprijs
Toen wij als jury vorig jaar de winnaar van de Jan van Gelderprijs aanwezen, konden we uiteindelijk kiezen uit vier proefschriften en twee omvangrijke tentoonstellingscatalogi, wel was onze longlist tegelijkertijd onze shortlist. U begrijpt dat het niet makkelijk was. Verlekkerd lazen we de uitstekende teksten en het was een genot om deel uit te maken van de jury. We hebben een aantal keren langdurig vergaderd voordat we eruit waren. Spijtig was het dit jaar dan ook dat het niveau zoveel lager was. Er was niet één proefschrift bij van een Nederlandse kunsthistoricus van onder de 35. Slechts een handvol artikelen, die vaak onderdeel uitmaakte van een publicatie waarbij een oudere kunsthistoricus de belangwekkendere informatie leverde. Twee boeken, waarvan een gepubliceerde scriptie, de ander de weerslag van een degelijk en interessant onderzoek, maar als we dat vergeleken met de zes genomineerden van vorig jaar, dan laat deze publicatie het nodige te wensen over.
In vergelijking met hetgeen we vorig jaar onderhanden hadden was dit, zoals u zult begrijpen, een teleurstelling. Als jury besloten we de prijs niet uit te reiken. Tegelijkertijd kwam de vraag bij ons op – overigens stelden we die onszelf vorig jaar ook al – of de leeftijdsgrens niet te laag was en we die moeten verhogen tot 40. Maar is er dan nog sprake van een ‘jonge’ kunsthistoricus? Hoe komt het dat er zo weinig gepubliceerd wordt door jonge Nederlandse kunsthistorici? Heeft de carriere van de kunsthistoricus gewoon een lange opstartperiode? Is het een tendens of een toevalstreffer? Duurt het gewoon zo lang voordat men de kans krijgt mee te werken aan grotere publicaties? Wil men wel maar krijgt de jonge kunsthistoricus eenvoudigweg de kans niet?
Zoals u waarschijnlijk weet, werd de Jan van Gelderprijs ingesteld om een jonge getalenteerde Nederlandse kunsthistoricus – oorspronkelijk lag de leeftijdsgrens bij 30 – voor zijn/haar kunsthistorisch vernieuwend schrijven te honoreren. De prijs is in het verleden diverse keren niet uitgereikt eveneens omdat er gebrek aan kwaliteit was. Naar aanleiding daarvan is de leeftijdsgrens opgekrikt naar 35.
Hoewel onze vragen nader onderzoek behoeven en niet gemakkelijk te beantwoorden zijn, merken we wel dat jonge kunsthistorici wel degelijk publiceren, maar dat het niveau vaak blijft steken bij entrees. Slechts weinigen schrijven een omvangrijke publicatie of starten na het afstuderen meteen met promotie onderzoek. Bij navraag bleek de Onderzoeksschool Kunstgeschiedenis (OSK) de afgelopen jaren slechts een handvol aanmeldingen te hebben gekregen en dan weten we nog niet eens de leeftijd van deze leden. Gelukkig wist de OSK ons te vertellen dat er dit jaar 10 nieuwe inschrijvingen waren.
Wanneer we kijken naar de onderzoeken die nu lopen dan is de eerste conclusie dat we hier te maken hebben met een toevalstreffer. Volgend jaar belooft een aantal interessante publicaties van jonge kunsthistorici waar we reikhalzend naar uitkijken. Desalniettemin, wanneer er gekeken wordt naar wat er zoal verschijnt in een jaar is het aantal dat verschijnt van de hand van de doelgroep miniem en dat vinden we als jury van de Jan van Gelderprijs verontrustend. Daarom plaatsen we hier de oproep om vooral de jonge kunsthistoricus – betaald! – de ruimte te geven om te publiceren. Er zijn veel talentvolle nieuwkomers met nieuwe inzichten en visies die een kans verdienen. De jury zal u dankbaar zijn. Hebben we tenminste iets om onze tanden in te zetten.
Mayken Jonkman
1992: Michel Kwakkelstein, "Leonardo da Vinci's Grotesque Heads and the Breaking of the Physiognomic Mould", Journal of the Warburg and Courtauld Institutes 54 (1991), pp.127-36
1993: niet uitgereikt
1994: Emile van Binnebeke, Bronssculptuur : beeldhouwkunst 1500-1800 in de collectie van het Museum Boymans-van Beuningen/Bronze sculpture : sculpture from 1500-1800 in the collection of the Boymans-van Beuningen Museum, Rotterdam 1994
1995: Marieke de Winkel, "'Een deftigsten drachten'. The iconography of the tabbaard and the sense of tradition in Dutch 17th century portraiture", NKJ 46 (1995), pp.144-167
1996: niet uitgereikt
1997: Elmer Kolfin, Van de slavenzweep en de muze. Twee eeuwen verbeelding van slavernij in Suriname, Leiden 1997
1998: Petra Brouwer, Van stad naar stedelijkheid. Planning en planconceptie van Lelystad en Almere 1959-1974, Rotterdam 1997
1999: niet uitgereikt
2000: niet uitgereikt
2001: drie prijzen als inhaalslag, in dit geval voor personen tot 35 jaar en voor een publicatie over de laatste 5 jaar:
Sven Lütticken, voor artikelen in De Witte Raaf ;
Bram de Klerck, The brothers Campi: images and devotion: religious painting in sixteenth-century Lombardy, 1565-1591, Amsterdam 1999;
Justin Kroesen, The sepulchrum domini through the ages. Its form and function, Leuven 2001
2002: Marielle Hageman, De kleren van de keizer. Rituelen van de Karolingische en Ottoonse vorsten in woord en beeld, dissertatie Universiteit Utrecht 2002
2003: Olav Velthuis, Talking Prices, proefschrift Erasmus Universtiteit, 2002 (eind 2004 verschenen als handelseditie bij Princeton University Press)
2004: Gijsbert van der Wal, Leven en werk van Willem den Ouden, Amsterdam 2003
2005: Koenraad Jonckheere, Kunsthandel en diplomatie. De veiling van de schilderijenverzameling van Willem III (1713) en de rol van het diplomatieke netwerk in de Europese kunsthandel, dissertatie Universiteit van Amsterdam, 2005
2006 Johan de Haan, "Hier ziet men uit paleizen". Het Groninger interieur in de zeventiende en achttiende eeuw, Assen 2005
2007: Anouk Janssen, Grijsaards in zwart-wit. De verbeelding van de ouderdom in de Nederlandse prentkunst (1550-1650), Amsterdam 2007
De Mr. J.W. Frederiksprijs 2006, groot 2500 Euro, betreffende Nederlandse publicaties op het gebied van de kunstnijverheid sinds 2003, is toegekend aan dr. Yvonne Brentjens voor haar recente publicaties over twee belangrijke kunstenaars uit de periode rond 1900: G.W. Dijsselhof (1866-1924). Dwalen door het Paradijs, (verschenen in 2002), in 2004 verdedigd als proefschrift met een uitvoerig aanvullend essay Moraalridders en monniken-werk; en daarnaast K.P.C. de Bazel (1869-1923). Ontwerpen voor het interieur (2006).
Juryrapport Mr. J.W. Frederiksprijs 2006:
De jury van de Mr. J.W. Frederiksprijs had dit keer de keus, niet alleen uit een zeer divers aanbod, maar de vier publicaties vanaf 2003 waartussen uiteindelijk is gekozen, representeren op verrassende wijze de grote diversiteit en breedheid van het vakgebied kunstnijverheid, zowel wat betreft de deel-specialismen als qua aanpak en methode. De werkmeesters van Bennewitz en Bonebakker : Amsterdams grootzilver uit de eerste helft van de 19de eeuw, door Barend van Benthem, is een uitputtend onderzoek van zowel de vele bronnen als de zilveren objecten zelf, met grote aandacht voor zowel de productie als het volgens de functionele typen ingedeelde materiaal. Johan de Haans ‘Hier ziet men uit paleizen’: het Groninger interieur in de zeventiende en achttiende eeuw focust voor het eerst op interieur en meubilair in een provincie ver van de randstad gelegen en laat op voorbeeldige wijze het eigen karakter zien dat uit een dergelijke studie kan blijken. Adri van der Meulen en Paul Smeele bieden in hun De pottenbakkers van Friesland 1750-1950, ondanks het incidentele karakter van de beschikbare bronnen, een knap beeld van het eenvoudige Friese pottenbakkersgoed, waarin thema’s als productie, ondernemerschap en assortiment evenzeer aan bod komen als het aardewerk zelf. Toch is uiteindelijk de prijs toegekend aan de vierde kandidaat: Yvonne Brentjens.
Binnen een tijdsspanne van vier jaar heeft Yvonne Brentjens ons verrast met twee substantiële boeken over ontwerpers die allebei werkzaam waren aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Het eerst boek was G.W. Dijsselhof (1866-1924). Dwalen door het Paradijs, dat verscheen in 2002. De tweede studie betreft K.P.C. de Bazel en heeft als volledige titel K.P.C. de Bazel (1869-1923) Ontwerpen voor het interieur; het boek verscheen begin dit jaar. De studie over Dijsselhof werd als haar dissertatie verdedigd op 21 januari 2004 aan de Leidse Universiteit. Voor dit specifieke doel schreef zij ter aanvulling hierop een uitvoerig essay Moraalridders en monniken-werk. Hierin wordt in zes hoofdstukken nader ingegaan op de inspiratie die Gerrit Dijsselhof en zijn tijdgenoten putten uit de Middeleeuwse cultuur. Aan beide boeken werden bovendien monografische tentoonstellingen gekoppeld in het Gemeentemuseum in Den Haag en het Drents Museum in Assen.
De jury van de Mr. J.W. Frederiksprijs vindt dit een fenomenale prestatie en een volkomen terechte reden om aan Yvonne Brentjens de prijs voor het jaar 2006 te verlenen. Het verheugt de commissie bovendien dat hiermee eindelijk weer een studie – twee studies dus eigenlijk - wordt bekroond op het gebied van de Nederlandse kunstnijverheid en interieurkunst uit de zo belangrijke periode rond de vorige eeuwwisseling, wat sinds 1981 niet meer was gebeurd.
Beide boeken betreffen gerenommeerde nijverheidkunstenaars uit de periode van de Nieuwe Kunst, twee kunstenaars waarover bovendien al veel geschreven werd. Dit geldt zeker voor De Bazel, die vooral als architect al veel aandacht kreeg in de afgelopen decennia. Op de dissertatie van Wessel Reinink uit 1965, volgden aanvullende deelstudies. Yvonne Brentjens is in staat gebleken om door middel van uitvoerig archiefonderzoek aan al die reeds aanwezige kennis nog heel veel belangwekkends toe te voegen. Dat geldt zowel voor Dijsselhof als voor De Bazel.
Maar, dat is in de ogen van de jury niet de voornaamste reden om haar de prijs toe te kennen. Als freelance kunsthistorica - niet gebonden aan een universiteit of museum - verrichtte zij beide onderzoeken weliswaar in het kader van een tentoonstelling, maar koos zij volledig zelfstandig haar eigen benadering en invalshoek. Onze grootste bewondering gaat uit naar de wijze waarop Yvonne Brentjens de kennis over de twee ontwerpers heeft weten te combineren met haar nieuwe onderzoeksresultaten en dit vervolgens tezamen op een hoger plan heeft gebracht. Beide boeken overstijgen hierdoor de gewone kunsthistorische monografie; het zijn twee rijke, cultuurhistorische studies geworden.
In het geval van Dijsselhof heeft de schrijfster, vanwege haar aandacht voor de middeleeuwse inspiratiebronnen van de kunstenaar, zijn werk in een breed ideeënhistorisch kader kunnen vatten. In het geval van De Bazel, waar bijvoorbeeld uitvoerig ingegaan wordt op zijn opdrachtgevers, zou men eerder van een cultuursociologisch kader kunnen spreken. Yvonne Brentjens is in staat gebleken het door haar minutieus doorgenomen archiefmateriaal, mede door haar grote belezenheid wat betreft eigentijdse publicaties, te koppelen aan de bestaande kunsthistorische, literatuurhistorische, filosofische, religieuze en politieke literatuur en dit vervolgens op een zinvolle manier in verband te brengen met het werk van de twee kunstenaars. De stijl, de thematiek en de ontwikkeling van hun oeuvre worden hiermee begrijpelijk gemaakt.
Maar dit alles was niet zo goed geslaagd als Yvonne niet begiftigd zou zijn geweest met een buitengewoon vlotte pen. Het is haar namelijk ook opmerkelijk goed gelukt om de complexe materie op een goed leesbare, aantrekkelijke manier te formuleren.
De boeken over Dijsselhof en De Bazel zijn geen praktische handboeken of naslagwerken in de traditionele zin, maar prettig leesbare monografieën die werkelijk inzicht verschaffen in de manier van werken van de kunstenaar en die hun werk in een brede context plaatsen. Wanneer er meer kunsthistorische onderzoekers net als Yvonne Brentjens in staat zouden zijn om hun bevindingen op een vergelijkbare plezierige manier toegankelijk te maken, zou ons vak daarmee zeer gebaat zijn.
De jury van de Mr. J.W. Frederiksprijs 2006:
mevr.prof.dr. C.W. Fock, hoogleraar kunstnijverheid, universiteit Leiden, voorzitter
dr. J.R. Ter Molen, directeur Museum Paleis Het Loo, secretaris
B. Dubbe, penningmeester
dr. R.J. Baarsen, conservator kunstnijverheid, Rijksmuseum, Amsterdam
mevr.dr. M. Simon Thomas, conservator kunstnijverheid Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam