verspronck

Prijzen

 
Karel van Manderprijs en Jan van Gelderprijs

De Karel van Manderprijs van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici wordt elk jaar uitgereikt voor een waardevolle publicatie van een Nederlandse of in Nederland werkende kunsthistoricus. Als long list dient de in het jaar voor de prijsuitreiking verschenen VNK-bibliografie die een bepaalde periode in de kunstgeschiedenis beslaat bv. 1500-1700, 1700-1850 etc.) en die publicaties over de laatste vijf jaar bevat. Dit betekent dat de Karel van Manderprijs jaarlijks in een ander deelgebied wordt uitgereikt en dat een deelgebied om de vijf jaar aan de beurt is. De laureaat ontvangt een bedrag van € 1000,- en een trofee, ontworpen door Manita Kieft.

De Jan van Gelderprijs van de Vereniging van Kunsthistorici wordt elk jaar uitgereikt voor een waardevolle publicatie op het gebied van de kunstgeschiedenis, d.w.z. de beeldende kunsten, architectuur en toegepaste kunsten. De auteur van deze publicatie dient bij het verschijnen ervan niet ouder dan 35 jaar te zijn. Iemand kan slechts eenmaal de Jan van Gelderprijs krijgen. De Jan van Gelderprijs is bedoeld als aanmoediging voor een jonge en veelbelovende Nederlandse kunsthistoricus. Publicaties uit het jaar voorafgaand aan de jurering komen in aanmerking. Zij moeten voldoen "aan de algemeen geldende wetenschappelijke eisen en getuigen van oorspronkelijkheid". De laureaat ontvangt een bedrag van € 500,- en een trofee, ontworpen door Manita Kieft.

De prijzen worden uitgereikt op de jaarlijkse Kunsthistorische Dag van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici.

Toekenning Karel van Manderprijs 2009

De Kunsthistorische Dag van de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici (VNK) vond dit jaar plaats op vrijdag 20 november 2009 en had als thema: 'Kunsthistorici gaan digitaal!'. Gastheer was het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) in Den Haag. Op deze dag werd ook de Karel van Manderprijs uitgereikt.

De Karel van Manderprijs wordt jaarlijks uitgereikt voor een waardevolle publicatie van een Nederlandse of in Nederland werkende auteur en was dit jaar gekoppeld aan de bibliografie met publicaties over Beeldende kunst en Kunstnijverheid 1700-1850, die werd samengesteld door Mariël Ellens en ingeleid door Paul Knolle (Rijksmuseum Twente). Laatstgenoemde nam ook zitting in de jury onder voorzitterschap van Claudine Chavannes-Mazel, de voorzitter van de VNK. Verder bestond de jury uit Edward Grasman (Universiteit Leiden), Debora Meijers (Universiteit van Amsterdam) en Freek Schmidt (Vrije Universiteit).
Zij zagen zich voor een vrijwel hopeloze taak gesteld: er waren uitzonderlijk goede aanvragen, en een aantal was werkelijk zo uitstekend, dat de jury tot een bijzondere, dubbele prijsuitreiking besloot.

Uit de omvangrijke bibliografie destilleerde secretaris Esther Dieltjes een longlist bestaande uit een kleine 70 titels. Deze werden tijdens een eerste ronde grondig bekeken: het was rijp en groen, klein en groot bij elkaar. Na nog eens twee rondes bleef een shortlist over van zes titels, waaronder De wereld van Christiaan Andriessen. Amsterdamse dagboektekeningen 1805-1808 van Annemieke Hoogenboom. De jury geeft haar een eervolle vermelding als voorbeeld van hoe wij als kunsthistorici bezig zouden moeten zijn: wetenschappelijk, maar ook toegankelijk. Het idee ontstond om in de toekomst een aparte prijs in te stellen voor publicaties die het gewone publiek op hoog niveau kennis verstrekken.

Twee boeken uit de shortlist vond de jury uitzonderlijk goed wat betreft kwaliteit en diversiteit: de studie van Everhard Korthals Altes, over de verovering van de internationale kunstmarkt door de zeventiende-eeuwse schilderkunst, en het boek van Robert Verhoogt, over de reproductie van kunst in de negentiende eeuw. In beide publicaties wordt een nieuw terrein betreden, waarin elke auteur zijn veelzijdige talenten kan etaleren. Zij vullen elkaar bovendien onverwacht aan: Korthals Altes noteert de belangstelling in het buitenland in de achttiende eeuw voor de Nederlandse kunst door middel van verzamelen, en Verhoogt die in de negentiende eeuw voor Nederlandse productiegrafiek. Hoe uiteenlopend onderwerp en aanpak van beide auteurs ook zijn, uiteindelijk besloot de jury beide publicaties met de eerste prijs te bekronen:

Everhard Korthals Altes, De verovering van de internationale kunstmarkt door de zeventiende-eeuwse schilderkunst. Enkele studies over de verspreiding van Hollandse schilderijen in de eerste helft van de achttiende eeuw, Leiden: Primavera Pers 2003

Robert Verhoogt, Art in Reproduction. Nineteeenth-Century Prints after Lawrence Alma-Tadema, Jozef Israëls and Ary Scheffer, Amsterdam: Amsterdam University Press 2007

De laureaten ontvingen ieder een bedrag van € 500,- en een trofee ontworpen door Manita Kieft.

Juryrapport Mr. J.W. Frederiksprijs 2009

Jochem Kroes, Chinese armorial Porcelain for the Dutch market, Den Haag/Zwolle 2007

Uw monumentale boek - maar liefst 718 bladzijden omvattend – brengt voor het eerst een fenomeen in kaart dat kenmerkender blijkt te zijn voor de Nederlandse kunstgeschiedenis dan werd aangenomen. Chinees wapenporselein leek altijd meer een Engelse, Portugese of Amerikaanse aangelegenheid, al was natuurlijk bekend dat er ook serviezen zijn met Nederlandse wapens. Dat blijken er nu zelfs zo’n 500 te zijn, waarvan er 455 in dit boek zijn beschreven en afgebeeld. Bovendien blijkt de ontwikkeling van Chine de commande wapenporselein in Nederland relatief vroeg te zijn ingezet – niet verwonderlijk, gezien de geschiedenis van de VOC – en zijn verschillende typen en patronen als uniek voor ons land geanalyseerd.
U, mijnheer Kroes, bent geen kunsthistoricus. U bent in 1991 gepromoveerd in de sociale geografie en werkt sinds 1989 bij het Centraal Bureau voor Genealogie. De ingang tot het wapenporselein lag voor U dan ook bij de wapens en dit wordt weerspiegeld in de opzet van het boek. Wat echter bewondering afdwingt, en de jury heeft gemotiveerd U de Frederiksprijs toe te kennen, is dat U zich het gebied van de kunstgeschiedenis en de daarbij behorende methodes voldoende heeft eigengemaakt om tot een voldragen publicatie te komen. Voor de classificatie van het materiaal bent U zo verstandig geweest aan te knopen bij het systeem, ontwikkeld door de Engelse kenner op dit gebied, David Howard. Daardoor sluit Uw boek aan bij de internationale publicaties over Chinees wapenporselein en zijn de gegevens beschikbaar voor studies die het Nederlandse overstijgen – mede doordat het boek in het Engels is verschenen. Maar het speurzoeken, het niet aflaten voordat zo veel mogelijk bewaard gebleven objecten zijn getraceerd en zo mogelijk gehanteerd, de tact en doorzettingsvermogen vereisende contacten met eigenaren van porselein en met andere onderzoekers – uit alles in Uw boek blijkt dat U die hele praktijk van het op objecten gerichte kunsthistorische onderzoek hebt omhelsd – met bewonderenswaardig resultaat.
In de commentaren op de afzonderlijke serviezen hebt U vervolgens Uw heraldische en genealogische belangstelling de vrije loop gelaten. Daardoor is een enorme hoeveelheid gegevens over Nederlandse opdrachtgevers bijeengebracht, gekoppeld aan bewaard gebleven voorwerpen – een ware Fundgrube voor iedere onderzoeker op het gebied van de Nederlandse 18de-eeuwse kunst- of cultuurgeschiedenis. U hebt niet alleen het porselein geclassificeerd, maar ook de opdrachtgevers en eigenaren naar categorieën ingedeeld. Het resultaat is een zeldzaam uitvoerige en inspirerende bijdrage tot de geschiedenis van de kunstnijverheid in Nederland. Niet voor niets heeft de publicatie van het boek al geleid tot een tentoonstelling over dit onderwerp in het Haagse Gemeentemuseum. We kijken uit naar nieuwe vruchten die het werk ongetwijfeld zal dragen.

Proefschrift: Richard Harmanni, Jurriaan Andriessen (1742-1819): behangselschilder, z.pl. 2006

De 18de eeuw is lang een stiefkind geweest binnen de Nederlandse kunstgeschiedenis, en in het bijzonder geldt dit voor de decoratieve schilderkunst, die samen met stucwerk toen de belangrijkste decoratieve afwerking vormde in huizen en openbare gebouwen in Nederland. Door uw onderzoek naar de zeven stijlkamers uit het stedelijke Amsterdamse bezit – al decennia lang niet meer tentoongesteld – stuitte U op de unieke ateliernalatenschap van Jurriaan Andriessen, verdeeld over het Amsterdamse Stadsarchief en het Prentenkabinet van het Rijksmuseum. Deze fantastische bron – circa 490 tekeningen waarvan bijna 300 behangselontwerpen – vormt de basis van Uw, door de Jury vandaag bekroonde en omvangrijke proefschrift.
Die schier onoverzienbare hoeveelheid tekeningen van vrijwel uitsluitend landschappen, heeft U met grote inventiviteit en oog voor elk op zich vaak onbetekenend detail, weten te ordenen tot sets van bij elkaar horende ontwerpen voor afzonderlijke vertrekken. Op het merendeel van deze sets bleek vervolgens wel ergens de naam van een opdrachtgever vermeld te zijn en onverwacht kwam hiermee ook vrijwel de gehele klantenkring van Andriessen in beeld en daarmee geheel nieuwe onderzoeksmogelijkheden. De vage naamsaanduidingen heeft U door uitputtend archiefonderzoek niet slechts vrijwel allemaal kunnen identificeren, maar tevens hun woningen, in Amsterdam maar ook elders, getraceerd. Zelfs zijn van deze – deels niet meer bestaande – huizen zoveel gegevens achterhaald dat de plaats van het vertrek binnen de woning meestal kan worden bepaald.
Eerst hierna kan, tegen de achtergrond van een uitvoerig hoofdstuk over de geschiedenis van de toepassing van deze geschilderde wandbehangsels in Nederland, het feitelijke interpreteren en de analyse van al dit materiaal beginnen! Dat betreft uiteenlopende invalshoeken zoals natuurlijk Andriessens opleiding en loopbaan, zijn leerlingen en zijn tot nu toe onbekende bemoeienissen met de kunsthandel, evenzeer als het sociale netwerk dat tussen zijn opdrachtgevers blijkt te hebben bestaan. Of het soort vertrekken dat voor dit type decoratie in aanmerking kwam, maar ook de ruimtelijke werking die Andriessen met zijn landschapschilderingen in de interieurs beoogde. En vanzelfsprekend de schilderingen zelf en de ontwerpen daarvoor: de diverse genres zoals klassiek-arcadisch, Italianiserend of inheems Hollands; hun thematiek: al of niet historisch, landschappelijk of zuiver decoratief, maar ook de toegepaste perspectivische hulpmiddelen. Tenslotte is er de uitvoerige catalogus van alle bewaarde schilderingen en ontwerpen, met diverse bijlagen, onder meer over zijn opdrachtgevers en hun huizen.
Het resultaat is een dusdanig compleet beeld van Andriessens werkzaamheden en de door hem gedecoreerde interieurs, zoals dat van géén van zijn collega’s ooit nog zal kunnen worden geëvenaard, een resultaat dat een belangrijke bijdrage biedt aan de geschiedenis van het Nederlandse interieur. De Jury is vooral onder de indruk van de breedheid van Uw onderzoek; hopelijk vormt de prijs een stimulans deze resultaten in een op een grotere lezerskring gerichte publicatie een wijdere verspreiding te geven.

Juryrapport van De Jan van Gelderprijs 2009

Toen ik hier een jaar geleden stond te beweren dat veel te weinig jonge kunsthistorici de kans krijgen gedegen en diepgravend onderzoek te doen om dat vervolgens te kunnen publiceren, kon ik niet bedenken dat de jury van de Jan van Gelderprijs dit jaar een vijftal erg goede publicaties onder ogen zou krijgen die ons aardig wat hoofdbrekens zouden kosten. Uiteindelijk hebben we dan ook besloten om aan twee auteurs de prijs toe te kennen, namelijk Wibo Bakker met Droom van Helderheid. Huisstijlen, ontwerpbureaus en modernisme in Nederland: 1960-1975 (ongepubliceerd proefschrift, Universiteit Utrecht) en Thijs Weststeijn met de handelseditie van zijn proefschrift: The Visible World. Samuel van Hoogstraten's Art Theory and the Legitimation of Painting in the Dutch Golden Age (Amsterdam University Press, 2008).

Wibo Bakker (1974) ging na zijn opleiding tot grafisch ontwerper aan de Hoge School voor de Kunsten in Arnhem Taal en Cultuurstudies studeren. Daarna werd hij aangesteld als Aio aan de Universiteit Utrecht. Hij promoveerde in juni 2009. In zijn proefschrift gaat hij in op de ontwikkeling van de huisstijl in Nederland tussen 1960 en 1975. In de jaren zestig voerden KLM, DSM, SHV (Steenkolen Handels Vereeniging), Albert Heijn en Nederlandse Spoorwegen als eerste grote bedrijven in Nederland huisstijlen in. Grafisch ontwerpers meenden dat huisstijlen een positieve uitwerking op de maatschappij als geheel konden hebben, terwijl de bedrijven zelf de huisstijl vooral zagen als een manier om hun imago te verbeteren. De huisstijlen van grote bedrijven in deze periode waren de visuele manifestatie van de moderne industriële natie die Nederland na de Tweede Wereldoorlog was geworden. Veel grote huisstijlen werden ontworpen door de Nederlandse bureaus Tel Design en Total Design. Hieraan waren ontwerpers verbonden als Wim Crouwel en Gert Dumbar. Wibo Bakker stelt dat de huisstijlen uit de jaren zestig zich kenmerkten door hun modernistische karakter. Ontwerpers hoopten dat hun huisstijlen communicatie effectiever zouden maken en een positieve uitwerking zouden hebben op de maatschappij als geheel. Tegenover hun opdrachtgevers benadrukten ze vooral de huisstijl als een vorm van normalisatie. Bedrijven daarentegen zagen huisstijlen in essentie als een manier om hun imago positief te beïnvloeden. Nederlandse ontwerpbureaus stonden kritisch tegenover deze marktgerichte manier van denken. Het Engelse ontwerpbureau AID – dat de marktgerichte benadering van huisstijlen wél overnam – groeide uit tot een belangrijke concurrent van de Nederlandse bureaus. Begin jaren zeventig ontwikkelde de publieke opinie een negatieve houding ten aanzien van het bedrijfsleven. Ook Nederlandse ontwerpers gingen hier in mee, zo constateert Bakker. Tegelijkertijd kwam de modernistische ontwerpbenadering in de ontwerpwereld onder druk te staan. Ontwerpbureaus gingen zich in toenemende mate richten op de publieke sector en de rijksoverheid.
Vraagstelling in dit onderzoek is: hoe verliep de ontwikkeling van grafische betekenissystemen in Nederland tussen 1960 en 1995? Deze ontwikkeling wordt inzichtelijk gemaakt door de voorgeschiedenis van deze systemen, het ontwikkelingsproces van deze systemen, de theorievorming over deze systemen, en de maatschappelijke context waarbinnen deze systemen werden gerealiseerd, te onderzoeken. Cases die hierbij behandeld worden zijn o.a. NS, Albert Heijn, KLM, PTT, het Ministerie van Justitie en de Rabobank.

Thijs Weststeijn, eveneens uit 1974, studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en is daar nu werkzaam als docent. Ook zijn promotie deed hij aan deze universiteit met uitstapjes naar de Getty en de University of London. Zijn publicatie behandelt de geschriften van de schilder en dichter Samuel van Hoogstraten (1627-1678), leerling van Rembrandt, en verklaart zijn gebruik van schilder thema’s en theorieen uit de Nederlandse zeventiende eeuw. Van Hoogstraten baseerde zijn gedachten zowel op een verscheidenheid van literaire, filosofische en artistieke bronnen, als op historische en reisverslagen, bij het schrijven van Inleyding tot de Hooge Schoole der Schilderkonst, anders de zichtbaere werelt een dwarsdoorsnede van de algemene zeventiende eeuwse visie op kunst in Holland. Hoewel verschillende generatiegenoten van Van Hoogstraten hebben geschreven over de beeldende kunsten, staan de 17de-eeuwse Nederlanden niet bekend om een coherente kunsttheorie. Weststeijn beoogt dit beeld bij te stellen in zijn veelomvattende studie. De kleurrijke Samuel van Hoogstraten was er voortdurend op uit zijn persoonlijk aanzien en dat van zijn artistieke activiteiten te vergroten. Zijn kunsttheoretische werk werd in het verleden beschouwd als een amalgaam van gemeenplaatsen en verwijzingen naar klassieke bronnen, waarmee de auteur vooral zijn eigen gestudeerdheid wenste te etaleren. Thijs Weststeijn stelt dit beeld ter discussie. Zijn boek laat overtuigend zien hoe Van Hoogstratens ‘Inleyding’ is geworteld in de traditie van de klassieke retorica en filosofie, en de ambitie heeft het aanzien van de schilderkunst te verhogen. Door het traktaat te plaatsen in de 17de-eeuwse literaire en intellectuele context, maakt Weststeijn duidelijk dat de auteur met al zijn geleerde aanhalingen aansluit bij de retorische vorm van de zogenaamde epideiktische redevoering, een tekst waarvan het onderwerp op ostentatieve wijze, zo aantrekkelijk mogelijk wordt gepresenteerd. De schilderkunst wordt nadrukkelijk gepositioneerd als een van de, aan het intellect ontspruitende vrije kunsten, de artes liberales. De rode draad bij Weststeijn vormt het concept ‘de zichtbaere werelt’ uit Van Hoogstratens ondertitel. Essentieel in de ‘Inleyding’ is de opvatting van een ‘volmaeckte Schildery als een spiegel van de Natuer’, en van de schilderkunst als een ‘wetenschap, om alle ideeën, ofte denkbeelden, die de gansche zichtbare natuer kan geven, te verbeelden’.

De werken van Bakker en Weststeijn zijn helder geschreven en maken ingewikkelde materie inzichtelijk voor de lezer. Hun benadering van het onderwerp verschilt echter wezenlijk.
Bakker begeeft zich op onontgonnen terrein en maakt gebruik van uitgebreid bronnenmateriaal dat nog niet eerder op deze wijze is belicht. Daarbij moeten we hem complimenteren met zijn volharding in het speuren naar materiaal. Vooral het doorlezen van oeverloze notulen van managementteams op zoek naar uitspraken over huisstijlen zal geen sinecure zijn geweest. Hoewel grote Nederlandse ontwerpers, als Wim Crouwel, al regelmatig onderwerp zijn geweest van monografieën, is niet eerder een dergelijke scope losgelaten op de ontwikkeling van huisstijlen in Nederland. Een veelheid aan bronnen, waaronder ook interviews met betrokkenen, is gebruikt om het verhaal te vertellen. Bakkers onderzoek levert een prachtige basis voor verder onderzoek. Zijn proefschrift zal in de komende jaren als bron gebruikt worden waar men nog in lengte van dagen op kan terug grijpen.
Hoe anders was de werkwijze van Thijs Weststeijn die een onderwerp ter hand nam waar al vaak over is geschreven en meer dan eens denigrerend ter zijde geschoven. Een welbekend onderwerp binnen de kunstgeschiedenis dat hij van een geheel nieuwe invalshoek voorzag waardoor met verse waardering naar Hoogstratens ‘Inleyding’ gekeken kan worden. Net als Bakker, is Weststeijns blik zeer ruim en de jury was onder de indruk van de veelheid aan bronnen en teksten die gebruikt zijn om zijn betoog te ondersteunen. Weststeijns handelseditie zal over 50 jaar nog steeds als kernstudie over kunsttheoretische literatuur in de Gouden Eeuw worden beschouwd.
Naar onze mening leveren beide auteurs met hun onderzoek een onmisbare bijdrage aan de ontwikkeling van de kunstgeschiedenis waarvan anderen kunnen profiteren en leren.

Mayken Jonkman, voorzitter jury Jan van Gelderprijs

Jury van de Jan van Gelderprijs:
Jeroen Goudeau, universitair docent van de geschiedenis van de bouwkunst nieuwere tijd, Universiteit Nijmegen
Mayken Jonkman, conservator negentiende-eeuwse kunst, RKD Den Haag (voorzitter)
Pieter Roelofs, conservator zeventiende-eeuwse schilderijen, Rijksmuseum Amsterdam
Dirk Torenvlied, medewerker bibliotheek RKD Den Haag
Marguerite Tuijn, freelance-kunsthistoricus
Patricia van Ulzen, feelance-kunsthistoricus en docent aan de Open Universiteit

Juryrapport Karel van Manderprijs 2007

Hieronder vindt u het juryrapport van de Karel van Mander Prijs 2007, uitgesproken door jurylid Wendelien van Welie-Vink, tijdens de Kunsthistorische Dag van de VNK op 7 november 2008.

De jury van de Karel van Manderprijs 2007 zag zich geplaatst voor een aangename taak. Dankzij - en op initiatief van - de Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici was kort tevoren een bibliografie van ruim 750 titels gepubliceerd betreffende Middeleeuwse kunst en kunstnijverheid, en geschreven door Nederlandse kunsthistorici tussen 2002 en 2007. Onder zoveel titels moesten wel meesterwerken schuilgaan. Een van de juryleden, Claudine Chavannes, had bovendien de inleiding op de bibliografie geschreven en beschikte dus al over een overzicht van het materiaal. De jury bestond verder uit de leden: Henk van Veen, voorzitter Vereniging van Nederlandse Kunsthistorici, Esther Dieltjes, secretaris Karel van Manderprijs, een gremium van de verschillende universiteiten op het gebied van Middeleeuwse kunst, namelijk de hoogleraren Christian Klamt en Jos Koldeweij, en Wendelien van Welie-Vink.

Allereerst destilleerde Esther Dieltjes uit de 750 titels een longlist: alle korte artikelen vielen af, alsook de publicaties waar juryleden aan hadden meegewerkt. Tentoonstellingscatalogi en redactionele bijdragen kwamen niet in aanmerking, en alleen bij uitzondering werden publicaties opgenomen van meerdere auteurs. Zo bleven ruim 50 titels over.
Tijdens een vrolijke maar tegelijkertijd bijzonder serieuze bijeenkomst hebben de juryleden de publicaties van de longlist in handen gehad, een grote tafel vol. De vergadering duurde daardoor lang, maar was zeer verhelderend, en bracht uiteindelijk de jury tot een unanieme voordracht.
Het was rijp en groen, klein en groot bij elkaar. Vóór alles werd de grote diversiteit van onderwerpen als een pluspunt gezien. Het grote aantal dissertaties was opvallend; niet alle waren alleen maar kunsthistorisch, juist vele promovendi hadden met succes een breder terrein weten te bestrijken. Aanvankelijk hadden we het liefst 10 of 15 publicaties uitverkoren. Wat had Truus van Bueren veel werk verzet met haar memorieboeken, wat had Herman Colenbrander zijn nek uitgestoken met zijn dissertatie over de Gebroeders Limburg, hoeveel kennis sprak er wel niet uit Peter van Daels Verbeelding van het Woord, en uit het onderzoek van Elisabeth den Hartog met haar Romaans Maastricht. Margriet Hoogvliets dissertatie over Mappae mundi oogstte lof, net als de proefschriften van Anne Sophie Lehmann en Anneke de Vries. En wat jammer dat de catalogus Geloof en Geluk van jurylid Koldeweij niet mee mocht dingen.
Uiteindelijk was het samenstellen van een shortlist minder moeilijk dan gedacht. Kwaliteit en ongebaande paden gingen samen in een aantal publicaties. In alfabetische volgorde waren dat de boeken van:
Justin Kroesen en Regnerus Steensma
Machteld Israels
Victor Schmidt
Marieke van Vlierden

Enige uitleg is hierbij nodig, omdat de jury duidelijk wil maken waarom zij tot deze shortlist kwam. Justin Kroesen en Regnerus Steensma hebben in grote eensgezindheid samengewerkt op een geheel nieuw terrein, en hun onderwerp was zo wijds, en hun fysieke inspanningen waren zo hoog, dat de een niet zonder de ander had kunnen werken. Hun The Interior of the Medieval Village Church kwam uit bij Peeters in Leuven in 2004. Machtelt Israels dwingt respect af voor de intellectuele speelsheid en bescheidenheid waarmee zij zulk een gewaagd onderwerp, een monografie over één altaarstuk van de Italiaanse kunstenaar Sassetta en zijn opdrachtgevers, tegemoet heeft getreden. Haar proefschrift, getiteld Sassetta’s Madonna della Neve. An Image of Patronage, verdedigde zij in 2003 in Amsterdam. Victor Schmidt lijkt inmiddels alles te weten over de intieme devotiepanelen waarmee de 14de-eeuwse gelovige zich wilde omringen. Marieke van Vlierden, tenslotte, werkte weliswaar samen met Henri Defoer en Hortense Höppener-Bouvy aan de catalogus Hout- en steensculptuur van Museum Catharijneconvent ca 1200-1600, maar haar aandeel was overtuigend, haar aanpak gedegen, haar kennis opvallend.
Wat te doen. De vier boeken weerspiegelen stuk voor stuk op hoog niveau de jaren onderzoek en het plezier, die schijnbaar moeiteloos besteed zijn. De geëtaleerde vakkennis stemde de jury tot grote vreugde. Uiteindelijk kwam men schoorvoetend tot de conclusie, dat sommige werken toch meer lof verdienden dan andere. Marieke van Vlierden en Machtelt Israels krijgen een gedeelde derde en vierde plaats, al was het met bloedend hart. Victor Schmidt verdient van de jury een tweede plaats. Met name zijn hoofdstukken ‘Prayer, Painting and Setting’ en ‘Small versus Large: The Subject matter of Small Scale Panel painting and Their Relationship tot Monumental Painting’ geven aan hoe geverseerd en geleerd hij zijn visie op devotiepanelen in pre-Renaissance Italië heeft verwoord.
De eerste plaats, en hier was iedereen het over eens, gaat naar het boek van Justin Kroesen en Regnerus Steensma, de ‘kerkentandem’ die van 1998 tot 2004 elke zomer erop uittrok en de interieurs van een kleine 1000 dorpskerken onderzocht en fotografeerde. ‘De handige jongens’ werden ze in de plaatselijke pers genoemd, hun gedegen en bevlogen arbeid geroemd. Zelf leefden ze op krentenbollen van de Aldi want die bleven 2 weken goed. Maar het zou onterecht zijn de padvindersrol te benadrukken. Het is één groots opgezet bronnenonderzoek geworden met in de hoofdrollen de vrijwel onbekende - of alleen plaatselijk bekende - middeleeuwse dorpskerkjes van Zweden tot Toscane. Als liturgiehistorici wisten ze, veel meer dan kunsthistorici, eenmaal thuisgekomen, met het verzamelde materiaal de functie en betekenis te achterhalen, ontwikkeling van thema’s en lokaal gebruik te vinden, mode en religie te scheiden, geloof en afgoderij te onderkennen, verder archiefonderzoek te doen en verbanden te leggen. Het boek kent zo verschillende niveaus: hier is voor het eerst een beschrijving van een schitterende verzameling Europese kunstschatten, die in Nederland slechts spaarzaam voor handen is, en tegelijkertijd is er een grote hoeveelheid wetenschappelijke kennis bijeengebracht over één specifiek gebied: het cultureel erfgoed van de gewone middeleeuwse dorpsbewoner, die trots was op zijn geloof, en veel voor zijn kerkgebouw overhad.
De jury is van mening dat de komende generatie wetenschappers veelvuldig dit boek met zijn vernieuwend onderzoeksprofiel als beginpunt voor eigen onderzoek ter hand zal nemen, en de methodische aanpak ervan op waarde zal schatten.

Jan van Gelder Prijs 2008

De jury van de Jan van Gelder Prijs heeft besloten om dit jaar geen prijs uit te reiken, omdat zij van mening was dat geen van de in aanmerking gekomen publicaties over het niveau beschikte dat men van een prijswinnaar mag verwachten.

Hieronder de toespraak die juryvoorzitter Mayken Jonkman hield op 7 november

Overdenkingen naar aanleiding van het niet uitreiken van de Jan van Gelderprijs

Toen wij als jury vorig jaar de winnaar van de Jan van Gelderprijs aanwezen, konden we uiteindelijk kiezen uit vier proefschriften en twee omvangrijke tentoonstellingscatalogi, wel was onze longlist tegelijkertijd onze shortlist. U begrijpt dat het niet makkelijk was. Verlekkerd lazen we de uitstekende teksten en het was een genot om deel uit te maken van de jury. We hebben een aantal keren langdurig vergaderd voordat we eruit waren. Spijtig was het dit jaar dan ook dat het niveau zoveel lager was. Er was niet één proefschrift bij van een Nederlandse kunsthistoricus van onder de 35. Slechts een handvol artikelen, die vaak onderdeel uitmaakte van een publicatie waarbij een oudere kunsthistoricus de belangwekkendere informatie leverde. Twee boeken, waarvan een gepubliceerde scriptie, de ander de weerslag van een degelijk en interessant onderzoek, maar als we dat vergeleken met de zes genomineerden van vorig jaar, dan laat deze publicatie het nodige te wensen over.
In vergelijking met hetgeen we vorig jaar onderhanden hadden was dit, zoals u zult begrijpen, een teleurstelling. Als jury besloten we de prijs niet uit te reiken. Tegelijkertijd kwam de vraag bij ons op – overigens stelden we die onszelf vorig jaar ook al – of de leeftijdsgrens niet te laag was en we die moeten verhogen tot 40. Maar is er dan nog sprake van een ‘jonge’ kunsthistoricus? Hoe komt het dat er zo weinig gepubliceerd wordt door jonge Nederlandse kunsthistorici? Heeft de carriere van de kunsthistoricus gewoon een lange opstartperiode? Is het een tendens of een toevalstreffer? Duurt het gewoon zo lang voordat men de kans krijgt mee te werken aan grotere publicaties? Wil men wel maar krijgt de jonge kunsthistoricus eenvoudigweg de kans niet?
Zoals u waarschijnlijk weet, werd de Jan van Gelderprijs ingesteld om een jonge getalenteerde Nederlandse kunsthistoricus – oorspronkelijk lag de leeftijdsgrens bij 30 – voor zijn/haar kunsthistorisch vernieuwend schrijven te honoreren. De prijs is in het verleden diverse keren niet uitgereikt eveneens omdat er gebrek aan kwaliteit was. Naar aanleiding daarvan is de leeftijdsgrens opgekrikt naar 35.
Hoewel onze vragen nader onderzoek behoeven en niet gemakkelijk te beantwoorden zijn, merken we wel dat jonge kunsthistorici wel degelijk publiceren, maar dat het niveau vaak blijft steken bij entrees. Slechts weinigen schrijven een omvangrijke publicatie of starten na het afstuderen meteen met promotie onderzoek. Bij navraag bleek de Onderzoeksschool Kunstgeschiedenis (OSK) de afgelopen jaren slechts een handvol aanmeldingen te hebben gekregen en dan weten we nog niet eens de leeftijd van deze leden. Gelukkig wist de OSK ons te vertellen dat er dit jaar 10 nieuwe inschrijvingen waren.
Wanneer we kijken naar de onderzoeken die nu lopen dan is de eerste conclusie dat we hier te maken hebben met een toevalstreffer. Volgend jaar belooft een aantal interessante publicaties van jonge kunsthistorici waar we reikhalzend naar uitkijken. Desalniettemin, wanneer er gekeken wordt naar wat er zoal verschijnt in een jaar is het aantal dat verschijnt van de hand van de doelgroep miniem en dat vinden we als jury van de Jan van Gelderprijs verontrustend. Daarom plaatsen we hier de oproep om vooral de jonge kunsthistoricus – betaald! – de ruimte te geven om te publiceren. Er zijn veel talentvolle nieuwkomers met nieuwe inzichten en visies die een kans verdienen. De jury zal u dankbaar zijn. Hebben we tenminste iets om onze tanden in te zetten.

Mayken Jonkman

Winnaars van de Jan van Gelder Prijs

1992: Michel Kwakkelstein, "Leonardo da Vinci's Grotesque Heads and the Breaking of the Physiognomic Mould", Journal of the Warburg and Courtauld Institutes 54 (1991), pp.127-36
1993: niet uitgereikt
1994: Emile van Binnebeke, Bronssculptuur : beeldhouwkunst 1500-1800 in de collectie van het Museum Boymans-van Beuningen/Bronze sculpture : sculpture from 1500-1800 in the collection of the Boymans-van Beuningen Museum, Rotterdam 1994
1995: Marieke de Winkel, "'Een deftigsten drachten'. The iconography of the tabbaard and the sense of tradition in Dutch 17th century portraiture", NKJ 46 (1995), pp.144-167
1996: niet uitgereikt
1997: Elmer Kolfin, Van de slavenzweep en de muze. Twee eeuwen verbeelding van slavernij in Suriname, Leiden 1997
1998: Petra Brouwer, Van stad naar stedelijkheid. Planning en planconceptie van Lelystad en Almere 1959-1974, Rotterdam 1997
1999: niet uitgereikt
2000: niet uitgereikt
2001: drie prijzen als inhaalslag, in dit geval voor personen tot 35 jaar en voor een publicatie over de laatste 5 jaar:
Sven Lütticken, voor artikelen in De Witte Raaf ;
Bram de Klerck, The brothers Campi: images and devotion: religious painting in sixteenth-century Lombardy, 1565-1591, Amsterdam 1999;
Justin Kroesen, The sepulchrum domini through the ages. Its form and function, Leuven 2001
2002: Marielle Hageman, De kleren van de keizer. Rituelen van de Karolingische en Ottoonse vorsten in woord en beeld, dissertatie Universiteit Utrecht 2002
2003: Olav Velthuis, Talking Prices, proefschrift Erasmus Universtiteit, 2002 (eind 2004 verschenen als handelseditie bij Princeton University Press)
2004: Gijsbert van der Wal, Leven en werk van Willem den Ouden, Amsterdam 2003
2005: Koenraad Jonckheere, Kunsthandel en diplomatie. De veiling van de schilderijenverzameling van Willem III (1713) en de rol van het diplomatieke netwerk in de Europese kunsthandel, dissertatie Universiteit van Amsterdam, 2005
2006 Johan de Haan, "Hier ziet men uit paleizen". Het Groninger interieur in de zeventiende en achttiende eeuw, Assen 2005
2007: Anouk Janssen, Grijsaards in zwart-wit. De verbeelding van de ouderdom in de Nederlandse prentkunst (1550-1650), Amsterdam 2007

Mr. J.W. Frederiksprijs 2006

De Mr. J.W. Frederiksprijs 2006, groot 2500 Euro, betreffende Nederlandse publicaties op het gebied van de kunstnijverheid sinds 2003, is toegekend aan dr. Yvonne Brentjens voor haar recente publicaties over twee belangrijke kunstenaars uit de periode rond 1900: G.W. Dijsselhof (1866-1924). Dwalen door het Paradijs, (verschenen in 2002), in 2004 verdedigd als proefschrift met een uitvoerig aanvullend essay Moraalridders en monniken-werk; en daarnaast K.P.C. de Bazel (1869-1923). Ontwerpen voor het interieur (2006).

Juryrapport Mr. J.W. Frederiksprijs 2006:

De jury van de Mr. J.W. Frederiksprijs had dit keer de keus, niet alleen uit een zeer divers aanbod, maar de vier publicaties vanaf 2003 waartussen uiteindelijk is gekozen, representeren op verrassende wijze de grote diversiteit en breedheid van het vakgebied kunstnijverheid, zowel wat betreft de deel-specialismen als qua aanpak en methode. De werkmeesters van Bennewitz en Bonebakker : Amsterdams grootzilver uit de eerste helft van de 19de eeuw, door Barend van Benthem, is een uitputtend onderzoek van zowel de vele bronnen als de zilveren objecten zelf, met grote aandacht voor zowel de productie als het volgens de functionele typen ingedeelde materiaal. Johan de Haans ‘Hier ziet men uit paleizen’: het Groninger interieur in de zeventiende en achttiende eeuw focust voor het eerst op interieur en meubilair in een provincie ver van de randstad gelegen en laat op voorbeeldige wijze het eigen karakter zien dat uit een dergelijke studie kan blijken. Adri van der Meulen en Paul Smeele bieden in hun De pottenbakkers van Friesland 1750-1950, ondanks het incidentele karakter van de beschikbare bronnen, een knap beeld van het eenvoudige Friese pottenbakkersgoed, waarin thema’s als productie, ondernemerschap en assortiment evenzeer aan bod komen als het aardewerk zelf. Toch is uiteindelijk de prijs toegekend aan de vierde kandidaat: Yvonne Brentjens.
Binnen een tijdsspanne van vier jaar heeft Yvonne Brentjens ons verrast met twee substantiële boeken over ontwerpers die allebei werkzaam waren aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Het eerst boek was G.W. Dijsselhof (1866-1924). Dwalen door het Paradijs, dat verscheen in 2002. De tweede studie betreft K.P.C. de Bazel en heeft als volledige titel K.P.C. de Bazel (1869-1923) Ontwerpen voor het interieur; het boek verscheen begin dit jaar. De studie over Dijsselhof werd als haar dissertatie verdedigd op 21 januari 2004 aan de Leidse Universiteit. Voor dit specifieke doel schreef zij ter aanvulling hierop een uitvoerig essay Moraalridders en monniken-werk. Hierin wordt in zes hoofdstukken nader ingegaan op de inspiratie die Gerrit Dijsselhof en zijn tijdgenoten putten uit de Middeleeuwse cultuur. Aan beide boeken werden bovendien monografische tentoonstellingen gekoppeld in het Gemeentemuseum in Den Haag en het Drents Museum in Assen.
De jury van de Mr. J.W. Frederiksprijs vindt dit een fenomenale prestatie en een volkomen terechte reden om aan Yvonne Brentjens de prijs voor het jaar 2006 te verlenen. Het verheugt de commissie bovendien dat hiermee eindelijk weer een studie – twee studies dus eigenlijk - wordt bekroond op het gebied van de Nederlandse kunstnijverheid en interieurkunst uit de zo belangrijke periode rond de vorige eeuwwisseling, wat sinds 1981 niet meer was gebeurd.
Beide boeken betreffen gerenommeerde nijverheidkunstenaars uit de periode van de Nieuwe Kunst, twee kunstenaars waarover bovendien al veel geschreven werd. Dit geldt zeker voor De Bazel, die vooral als architect al veel aandacht kreeg in de afgelopen decennia. Op de dissertatie van Wessel Reinink uit 1965, volgden aanvullende deelstudies. Yvonne Brentjens is in staat gebleken om door middel van uitvoerig archiefonderzoek aan al die reeds aanwezige kennis nog heel veel belangwekkends toe te voegen. Dat geldt zowel voor Dijsselhof als voor De Bazel.
Maar, dat is in de ogen van de jury niet de voornaamste reden om haar de prijs toe te kennen. Als freelance kunsthistorica - niet gebonden aan een universiteit of museum - verrichtte zij beide onderzoeken weliswaar in het kader van een tentoonstelling, maar koos zij volledig zelfstandig haar eigen benadering en invalshoek. Onze grootste bewondering gaat uit naar de wijze waarop Yvonne Brentjens de kennis over de twee ontwerpers heeft weten te combineren met haar nieuwe onderzoeksresultaten en dit vervolgens tezamen op een hoger plan heeft gebracht. Beide boeken overstijgen hierdoor de gewone kunsthistorische monografie; het zijn twee rijke, cultuurhistorische studies geworden.
In het geval van Dijsselhof heeft de schrijfster, vanwege haar aandacht voor de middeleeuwse inspiratiebronnen van de kunstenaar, zijn werk in een breed ideeënhistorisch kader kunnen vatten. In het geval van De Bazel, waar bijvoorbeeld uitvoerig ingegaan wordt op zijn opdrachtgevers, zou men eerder van een cultuursociologisch kader kunnen spreken. Yvonne Brentjens is in staat gebleken het door haar minutieus doorgenomen archiefmateriaal, mede door haar grote belezenheid wat betreft eigentijdse publicaties, te koppelen aan de bestaande kunsthistorische, literatuurhistorische, filosofische, religieuze en politieke literatuur en dit vervolgens op een zinvolle manier in verband te brengen met het werk van de twee kunstenaars. De stijl, de thematiek en de ontwikkeling van hun oeuvre worden hiermee begrijpelijk gemaakt.
Maar dit alles was niet zo goed geslaagd als Yvonne niet begiftigd zou zijn geweest met een buitengewoon vlotte pen. Het is haar namelijk ook opmerkelijk goed gelukt om de complexe materie op een goed leesbare, aantrekkelijke manier te formuleren.
De boeken over Dijsselhof en De Bazel zijn geen praktische handboeken of naslagwerken in de traditionele zin, maar prettig leesbare monografieën die werkelijk inzicht verschaffen in de manier van werken van de kunstenaar en die hun werk in een brede context plaatsen. Wanneer er meer kunsthistorische onderzoekers net als Yvonne Brentjens in staat zouden zijn om hun bevindingen op een vergelijkbare plezierige manier toegankelijk te maken, zou ons vak daarmee zeer gebaat zijn.

De jury van de Mr. J.W. Frederiksprijs 2006:
mevr.prof.dr. C.W. Fock, hoogleraar kunstnijverheid, universiteit Leiden, voorzitter
dr. J.R. Ter Molen, directeur Museum Paleis Het Loo, secretaris
B. Dubbe, penningmeester
dr. R.J. Baarsen, conservator kunstnijverheid, Rijksmuseum, Amsterdam
mevr.dr. M. Simon Thomas, conservator kunstnijverheid Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam