rosetti

Kunsthistoricus in de kijker: Truus van Bueren

Ditmaal staat Johan ter Molen in de kijker. De directeur van Paleis Het Loo Nationaal Museum gaat in juni dit jaar met pensioen.

Johan ter Molen, die dit jaar 65 wordt, studeerde kunstgeschiedenis in Leiden. Na zijn afstuderen ontving hij een promotiebeurs van ZWO voor zijn internationale onderzoek naar de zilversmedenfamilie Van Vianen. In 1975 werd hij benoemd tot hoofd van de afdeling kunstnijverheid.van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, en vanaf 1981 werd hij daar tevens adjunct-directeur. In 1999 maakte hij de overstap naar Paleis Het Loo Nationaal Museum, waar hij tot juni 2012 als directeur werkzaam zal zijn. Sinds 2009 is hij tevens bijzonder hoogleraar toegepaste kunsten en kunstnijverheid aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

Johan ter Molen

Foto: Martijn de Vries

1. Waarom ben je kunstgeschiedenis gaan studeren?
Al op de middelbare school werd ik bijzonder gefascineerd door kunst en cultuur. Dat leidde onder meer tot een abonnement op Openbaar Kunstbezit en tot bezoeken aan het museum in mijn geboortestad Zwolle, maar ook tot de vurige wens om kunstgeschiedenis te gaan studeren. Alle pogingen, die mijn ouders deden om mij voor ‘een serieuzer beroep’ op te laten leiden, onder meer door mij gymnasium β te laten doen, zijn tevergeefs geweest. Ik was er niet van af te brengen. Uiteindelijk ben ik in Leiden terecht gekomen en daar in de ban geraakt van mijn inspirerende leermeester prof. Th.H. Lunsingh Scheurleer, waardoor ik mij ben gaan specialiseren in de kunstnijverheid.

2. Welke verwachtingen had je aangaande je toekomstige carrière en wat is daarvan uitgekomen?
Ondanks de ook toen al uiterst negatieve voorspellingen over de mogelijkheden om met een studie kunstgeschiedenis een baan te kunnen krijgen, ben ik altijd optimistisch gebleven en dat bleek terecht. Toen ik na mijn opleiding twee jaar overal in Europa in musea , bibliotheken en archieven onderzoek had gedaan ter voorbereiding van mijn proefschrift, kreeg ik een fantastische museale baan in Rotterdam aangeboden. En toen ik bijna 25 jaar later uitgenodigd werd om Paleis Het Loo te gaan leiden, was dat een volgende boeiende uitdaging. Ik heb het steeds als een bijzonder voorrecht ervaren dat ik van mijn grote ‘hobby’ mijn werk heb kunnen maken. Bovendien geeft het mij veel voldoening om ook in het komende jaar nog iets van mijn kennis en ervaring over te kunnen dragen aan een jonge generatie kunstgeschiedenisstudenten.  

3. Wat beschouw je als een succesmoment tijdens je loopbaan als kunsthistoricus? Waar ben je echt trots op?
Natuurlijk denk ik dan allereerst aan de voltooiing van mijn proefschrift over de Van Vianens en mijn promotie in 1984. Maar ook aan diverse tentoonstellingen op het gebied van de kunstnijverheid die ik in mijn Boijmans-jaren inhoudelijk heb kunnen voorbereiden, en blockbuster-tentoonstellingen als ‘De Verboden Stad’.waarvan ik de organisatie deed. Of aan de vele belangrijke objecten die ik op het spoor ben gekomen, en waarmee de museumcollecties in Rotterdam en Apeldoorn verrijkt konden worden. Het is moeilijk om hieruit een keuze te maken.

4. Wat zijn je plannen op de korte en langere termijn?
Ik prijs mij gelukkig dat ik ook in het komende studiejaar nog als bijzonder hoogleraar toegepaste kunsten en kunstnijverheid aan de Radboud Universiteit werkzaam zal zijn. Verder heb ik aan de Ottema-Kingma Stichting, die deze leerstoel faciliteert, beloofd om een boek samen te stellen over het Friese goud en zilver. Met enkele collegae werk ik hieraan, maar na mijn pensionering in deze zomer hoop ik er alle aandacht aan te kunnen geven. Op langere termijn hoop ik de becommentarieerde uitgave van een reisverslag door de Nederlanden uit de vroege 18de eeuw te kunnen realiseren. Het manuscript vond ik 40 jaar geleden in een Duitse bibliotheek, en sindsdien verzamel ik gegevens over de bezochte locaties en personen.

5. Welk kunsthistorisch boek maakte een verpletterende indruk op jou, was/is misschien zelfs richtinggevend voor je werk?
Van de zilverliteratuur, waaraan ik veel heb gehad, noem ik Virtuoso goldsmiths, and the triumph of Mannerism 1540-1620 van John Hayward. Een boek uit meer recente tijd, dat ik veelvuldig gebruik als informatiebron over de ontwikkeling van onze wooncultuur is Het Nederlandse interieur in beeld 1600-1900.

 6. Als het mogelijk was terug te gaan in de tijd, welke kunstenaar of kunsthistoricus zou je willen ontmoeten? Wat zou je hem of haar willen vragen?
Het intrigeert mij zeer, hoe Paulus van Vianen erin geslaagd is om een zodanige internationale  reputatie op te bouwen dat hij -vermoedelijk tijdens zijn verblijf in Italië- benaderd werd om als zilversmid in dienst te treden van de kunstminnende keizer Rudolf II. En hoe na zijn vestiging in Praag de contacten waren met kunstenaars als Hans van Aken en Adriaan de Vries die daar tegelijkertijd aan het hof werkzaam waren.

7. Van welk kunstwerk of gebouw gaat jouw hart sneller kloppen en waarom?
De kan, die Adam van Vianen in 1614 gemaakt heeft in opdracht van het Amsterdamse zilversmidsgilde ter herinnering aan zijn in Praag overleden broer Paulus van Vianen.
Dit zilveren object, waarvan de grillige vormgeving de schijn wekt uit een stroperige substantie te zijn gekneed, moet in het 17de eeuwse Amsterdam als een bom zijn ingeslagen. Niet alleen heeft het namelijk  de verdere ontwikkeling van de kwabornamentiek in hoge mate bepaald, maar ook zijn er enkele tientallen schilderijen van Amsterdamse kunstenaars bekend, waarop deze curieuze kan in allerlei posities en met uiteenlopende functies is ‘geportretteerd’.

8. Welke tentoonstelling heb je als laatste gezien? En wat vond je ervan?
 De tentoonstelling Michiel van Musscher (1645-1705), De weelde van de Gouden Eeuw in het Museum Van Loon te Amsterdam. Persoonlijk ben ik erg gesteld op het werk van de Leidse fijnschilders en van tijdgenoten als Van Musscher. Bovendien geven zijn schilderijen een gedetailleerd beeld van de mode uit de late 17de eeuw, en inzicht in de toepassing en vormgeving van allerlei gebruiksvoorwerpen.

9. Wat verwacht je van een vereniging voor kunsthistorici?
De vereniging kan zeker voor jonge kunsthistorici een belangrijke rol spelen bij het onderhouden van onderlinge contacten, bij het deelgenoot maken van nieuwe ontwikkelingen op het vakgebied en bij het verschaffen van inzicht in de arbeidsmarkt.

10. Welke tip of goede raad wil je je collega-kunsthistorici meegeven?
Probeer altijd jonge vakgenoten gevraagd en ongevraagd in je kennis en ervaring te laten delen.
Als jeugdige Leidse promovendus ontving ik met grote regelmaat handgeschreven briefjes van de in mijn ogen bejaarde en illustere Utrechtse hoogleraar J.G. van Gelder met notities, waarmee hij mij behulpzaam dacht te kunnen zijn. Dat heeft een onuitwisbare indruk op mij gemaakt. Ik voelde mij daardoor geen eenzame onderzoeker, maar opgenomen in ‘een kunsthistorische familie’. In zijn geest probeer ik nog steeds jonge vakgenoten van informatie te voorzien die ze anders wellicht over het hoofd zouden zien.