Voor VNK leden
Met ingang van 1 januari 2010 is de jaarlijkse contributie voor leden met een betaalde baan
€ 30,- en de jaarlijkse bijdrage van studenten en leden zonder betaalde baan € 23,-.
Wij danken u voor uw inzet!

Kunsthistoricus in de kijker: Ger Luijten
Iedere maand vindt u hier een nieuw interview met een kunsthistoricus die zich in de kijker heeft gespeeld. In de maand februari geeft Ger Luijten antwoord op de tien vaste vragen.
Ger Luijten (1956) werkt sinds 1990 in het Rijksmuseum, eerst als hoofd van de afdeling prenten en vanaf 2001 als hoofd van het Rijksprentenkabinet. Eerder was hij conservator prent- en tekenkunst in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Tevoren reisde hij door Europa waar hij in diverse prentenkabinetten materiaal verzamelde voor de Hollstein, het standaardwerk op het gebied van de Nederlandse prentkunst tussen 1450 en 1700. Hij studeerde van 1978 tot 1985 kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Utrecht en boek- en bibliotheekgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn afstudeerscriptie (bij Peter Hecht) ging over Frederik Schmidt-Degener (1881-1941), diens kunstopvattingen en beleid als directeur van het Rijksmuseum. Hij liep stage bij Jan-Piet Filedt Kok in het Rijksprentenkabinet waar de basis werd gelegd voor zijn belangstelling voor prent- en tekenkunst. Op 1 juni begint hij als directeur van de Fondation Custodia in Parijs.
Waarom ben je kunstgeschiedenis gaan studeren?
Na de middelbare school werd ik onderwijzer en vervolgens tekenleraar. Dat betekende bordschetsen, tekenen naar model, stillevens met stofzuigers, enzovoorts. En - in 40 seconden - reizigers op het station van Breda gezien van boven. Maar ook, voor het eerst in mijn leven: kunstgeschiedenis. En dat was zo spannend dat ik dacht: hier wil ik mee verder gaan. Het was in het midden van de jaren zeventig. Twee diaprojectoren. Rook die ronddwarrelde in het klaslokaal. En prachtige verhalen. Over Brunelleschi en Ghiberti, over Piero di Cosimo, Millet, Bernini en Rubens, Goya, de impressionisten, maar ook over David Hockney, Mario Merz en land-art, foto's van Maria Austria. Ik verdiepte me in Christo, Dennis Oppenheim en Walter de Maria. We bezochten performances. Ik zag Tot lering en vermaak in het Rijksmuseum in 1976. Ging naar de Documenta in 1977. Daar was speciale aandacht voor tekenkunst: alle denkbare verschillende opvattingen van tekenen naast elkaar. Ik las David Sylvester Interviews with Francis Bacon. Er ging een wereld open.
Welke verwachtingen had je aangaande je toekomstige carrière en wat is daarvan uitgekomen?
Ik had geen enkele verwachting over een carrière. Zo dachten we toen niet. Ik wilde alleen maar intensief met kunst bezig zijn. In de studiegids in Utrecht stond op de eerste pagina: Pas op! Het aanbod van kunsthistorici overtreft vele malen de vraag. Het is onzeker of u ooit een baan zult vinden in de kunstgeschiedenis. Ik heb me er niet door laten afschrikken.
Wat beschouw je als een succesmoment tijdens je loopbaan als kunsthistoricus? Waar ben je echt trots op?
In 1990 schreef ik met Bram Meij het mooi vormgegeven boek From Pisanello to Cezanne over de tekeningen in Boijmans. Het was heerlijk om over de Italianen te schrijven, Gozzoli, Fra Bartolommeo, Carracci, Tiepolo. De tentoonstelling bij het boek was onder andere te zien in de Pierpont Morgan Library in New York. Een laaiend enthousiaste recensie in de New York Times door John Russell. En toen zou ik een lezing geven: Collecting drawings. Five centuries of changing aims and ideals. Ik kwam vanuit Washington waar een tentoonstelling was met de landschappen van Rembrandt. Ik was er met collega's uit Berlijn en Parijs en met Peter Schatborn. In het hotel werd mijn tas gestolen met de handgeschreven tekst van de lezing. De dia's waren er nog. In New York heb ik me twee dagen opgesloten in een hotelkamer om de lezing opnieuw te maken. Pas later heb ik het aangedurfd om lezingen uit het hoofd te geven. Het voelde als een triomf toen het goed ging daar in New York. Zingt Frank Sinatra niet: ‘if you can make it there, you can make it anywhere.' Een zeldzaam geïnteresseerd publiek. Er waren allerlei collega's in de zaal en kunstenaars, onder wie ook Dan Flavin. Hij zat in een rolstoel en wilde een handtekening in zijn exemplaar van de catalogus. ‘It was great, man. A nice talk. And what a beautiful book. The reproductions are true to life. I will cherish it.'
Wat zijn je plannen op de korte en langere termijn?
Op 1 mei ga ik in Parijs beginnen. Daar word ik de opvolger van Mària van Berge als directeur van de Fondation Custodia. Zij is geweldig en ik vind het een eer in haar spoor verder te gaan. De eerste maand staat in het teken van de overname: alles bekijken wat er is, de collectie verkennen en ideeën ontwikkelen. Daarna projecten afmaken en nieuwe initiatieven nemen. Een van de doelstellingen van de Fondation Custodia is: de kunstgeschiedenis dienen. Dat is een ideaal dat ik graag wil vormgeven en uitwerken. Tentoonstellingen maken en publiceren over de diverse verzamelingen. Aankopen. Deze week ben ik begonnen om een aantal uren per week Frans te praten met Edouard. Over film, kunst, eten, Franse gebruiken, mannen en vrouwen. Hij gaat heel snel. Maar het is great fun! In de tussentijd moet alles in het Rijksmuseum goed en zorgvuldig worden afgerond en overgedragen.
Welk kunsthistorisch boek maakte een verpletterende indruk op jou, was/is misschien zelfs richtinggevend voor je werk?
De laatste jaren heb ik intensief kunstenaars bezocht om de collectie kunst op papier van het Rijksmuseum te verruimen tot en met de tweede helft van de twintigste eeuw. Ik vraag ze uit en probeer een vertrouwensrelatie op te bouwen. Dat vergt heel veel. Daarbij was het hierboven genoemde boek Interviews with Francis Bacon een bron van inspiratie. Doorvragen - naar bronnen, naar het bestaan, de aanpak, de kijk op het leven, de aard van het kunstenaarschap. Over wat er onder hun handen gebeurt en hoe ze dat sturen. Het is een geweldig avontuur geweest. Een boek naar mijn hart is Rediscoveries in Art door Francis Haskell (1976), een buitengewoon interessante kunsthistoricus die ik een paar keer heb ontmoet en die te vroeg is gestorven. Richtinggevend was het boek van Peter Parshall en David Landau, The Renaissance Print (1994). Na lezing van het manuscript heb ik destijds een werkgroep gehouden aan de Universiteit van Amsterdam en een tentoonstelling georganiseerd, Prentkunst van de renaissance. Misschien wel de mooiste die ik heb gemaakt. De auteurs verdienen groot respect. Ze hebben gedurfd intelligente en fundamentele vragen te stellen, ook al hebben ze die niet allemaal kunnen beantwoorden.
Als het mogelijk was terug te gaan in de tijd, welke kunstenaar of kunsthistoricus zou je willen ontmoeten? Wat zou je hem of haar willen vragen?
Als mijn Frans nog wat beter is, zou ik heel graag Théophile Thoré willen ontmoeten. En spreken over zijn voorliefde voor Vermeer en over zijn opvattingen over de Nederlandse kunst in het algemeen. De collectie die ik ga beheren in Parijs is aangelegd door de eminente verzamelaar Frits Lugt en die stond erg onder de invloed van de smaak van de uiterst geëngageerde Thoré. Hij hield van de kunst van Manet en keek op een eigen manier naar de zeventiende eeuw. Het is interessant om te zien hoe voorkeuren voor bepaalde kunstenaars zich in de loop van de tijd hebben ontwikkeld en met hem zou ik daar graag over door doorpraten.
Van welk kunstwerk of gebouw gaat jouw hart sneller kloppen en waarom?
In Museo de Capodimonte in Napels hangt het meesterwerk van Pieter Bruegel de Oude, De blinde leidt de blinde. Ik was er bij mijn eerste bezoek aan die stad niet helemaal op voorbedacht dat daar aan te treffen en het heeft een verpletterende indruk op mij gemaakt. Het is prachtig geschilderd, ook het landschap en de boerderij in de achtergrond, en het onderwerp is zo goed verbeeld. Iemand die in de zestiende eeuw een dergelijke, volstrekt tijdloze en nog steeds geldige aansporing de wereld in stuurt, om vooral zelf kritisch te zijn en na te denken acht ik hoog. Verder houd ik van schilders die suggestief met hun materiaal om kunnen gaan en toch verf verf laten blijven: Titiaan, Velazquez, Degas, Picasso, Matisse. En ik houd van kunstenaars die iets heel eigens hebben. In hun onderwerpen en in hun manier van doen, in hun figuurtypen: Beccafumi, Lorenzo Lotto, Christian Köbke (die tentoonstelling in Kopenhagen van een jaar of tien geleden is memorabel), Caillebotte. In de prentkunst Jacopo da Barbari en Jan Vermeyen, Jacques Bellange, Alexander Runciman. De schetsboeken van Adolph Menzel. In de beeldhouwkunst Niccolò dell'Arca, Jacopo della Quercia.
Welke tentoonstelling heb je als laatste gezien? En wat vond je ervan?
In het Louvre vorige week Maîtres du dessin européen du XVIe au XXe siècle, de collectie van Georges Pébereau die in de afgelopen twintig jaar is opgebouwd. Zeer gevarieerd. Interessant om te zien wat hij heeft geoogst in de periode dat ikzelf voor het Rijksmuseum de markt goed heb gevolgd. De tekeningen aangewezen die goede aanwinsten zouden zijn voor de collectie Lugt in de Fondation Custodia. Dat is spannend om te doen. Oefenen.
Wat verwacht je van een vereniging voor kunsthistorici?
Een vereniging voor kunsthistorici hoort ontmoetingen tot stand te brengen tussen beoefenaren van de kunstgeschiedenis zodat uitwisseling van opvattingen en initiatieven kan plaats vinden. Gelukkig gebeurt dat in Nederland ook.
Welke tip of goede raad wil je je collega-kunsthistorici meegeven?
Het is een groot voorrecht om met kunst en kunstenaars bezig te zijn. Mijn raad aan kunsthistorici is om je vóór alles te laten leiden door nieuwsgierigheid en het heden en verleden te ondervragen op een manier die kan leiden tot onvermoede nieuwe inzichten. We hebben niks aan clichés. Kunst ontwikkelt zich doordat kunstenaars steeds weer op een andere manier naar de wereld kijken. Hun werk is daar de getuigenis van. Het is aan ons om te proberen te begrijpen wat daar allemaal bij speelt en hoe een kunstwerk tot stand is gekomen, wat het wil zeggen en hoe er in de loop van de tijd op is gereageerd. Daar verslag van te doen op een manier die inzichtelijk is en een plezier is om te lezen of naar te kijken (in een museum of op een website) is geen geringe opdracht. Maar zeer de moeite waard, voor collega's maar vooral ook voor de wereld daarbuiten. Op zijn best vervult het iemands leven. Zo ongeveer zit het!