
Kunsthistoricus in de kijker: Eddy de Jongh
Iedere maand vindt u hier een nieuw interview met een kunsthistoricus die zich in de kijker heeft gespeeld. In de maand december geeft Eddy de Jongh antwoord op de tien vaste vragen.
Eddy de Jongh, emeritus hoogleraar iconologie en kunsttheorie aan de Universiteit Utrecht. Onlangs ontving hij tijdens de Kunsthistorische Dag van de VNK, 11 november j.l., de eerste De Gijselaar Hintzenfondsprijs.
1. Waarom ben je kunstgeschiedenis gaan studeren?
In tweede helft van de jaren vijftig was ik werkzaam als leerling-journalist (later journalist) bij de kunstredactie van Het Parool. Daardoor kwam ik regelmatig in musea, waar ik allerlei kunstwerken zag waarvan de iconografie voor mij vaak onbegrijpelijk was. Om dit ongemak te bestrijden ben ik eerst als toehoorder colleges gaan volgen aan de Universiteit van Amsterdam (bij Van Regteren Altena en Jaffé), om daarna in Utrecht (bij onder anderen Van Gelder, Emmens en Heckscher) de studie meer regulair te doorlopen.
2. Welke verwachtingen had je aangaande je toekomstige carrière en wat is daarvan uitgekomen?
Specifieke verwachtingen had ik niet, maar ik wilde mij wel graag permanent met de wetenschap bezighouden. In 1963 werd ik aangesteld als bibliothecaris van het Kunsthistorisch Instituut in Utrecht. In die periode en geruime tijd daarna schreef ik ook over kunst voor Vrij Nederland. Mijn bijdragen aan dit weekblad werden gaandeweg minder journalistiek en meer kunsthistorisch, wat door de redactie welwillend geaccepteerd werd. Het soort artikelen dat ik toen publiceerde zouden vandaag door geen krant meer worden opgenomen.
3. Wat beschouw je als een succesmoment tijdens je loopbaan als kunsthistoricus? Waar ben je echt trots op?
Trots vind ik een wat dubieus sentiment. Maar ik kan niet ontkennen dat er wel van succes sprake is geweest, en als ik mij mag veroorloven in meervoud te spreken, dat er zich meer dan één succesmoment heeft voorgedaan. Laat ik mij beperken tot het vermelden van twee activiteiten die ik van belang acht. De eerste begon als een werkgroep voor studenten en dateert van 35 jaar geleden, toen heel wat leden van de VNK nog niet geboren waren. Ik doel op de door mij geëntameerde, in 1976 in het Rijksmuseum gehouden tentoonstelling Tot lering en vermaak. Betekenissen van Hollandse genrevoorstellingen uit de zeventiende eeuw. Deze tentoonstelling, die een uitgesproken iconologisch karakter droeg, kreeg veel waardering en de daarbij behorende catalogus bleek – wat ik helemaal niet had verwacht – internationaal aandacht te trekken vanwege de daarin toegepaste methodiek en interpretaties. Hij zou zelfs een behoorlijk aantal jaren richtinggevend zijn (‘paradigmatisch’, heette het in diverse commentaren). Dat was natuurlijk heel mooi en heel stimulerend, maar ja, de ‘helaasheid der dingen’, om met een Vlaamse schrijver te spreken. Na een aantal jaren kwamen er critici opzetten, gewapend met anti-iconologische munitie, te beginnen in 1983 met Svetlana Alpers en haar opzienbarende boek The art of describing, gevolgd door andere critici, scherpzinnige en minder scherpzinnige. Er vloeide een soort richtingenstrijd uit voort, die ik au fond heel nuttig en bijwijlen ook vermakelijk heb gevonden. De controverse steekt nog steeds af en toe de kop op. Zo werd in 2004 in Museum Boijmans Van Beuningen door de conservator oude schilderkunst Jeroen Giltaij een tentoonstelling van zeventiende-eeuwse genreschilderijen georganiseerd die een onmiskenbaar hoog anti-Tot lering en vermaak-gehalte bezat.
Wat ik ten tweede zou willen noemen is Spiegel van alledag, de in 1997 in het Rijksprentenkabinet gehouden tentoonstelling van Nederlandse genreprenten uit de zestiende en zeventiende eeuw. Deze tentoonstelling maakte ik samen met Ger Luijten, het toenmalige hoofd van het Prentenkabinet, en we schreven er een dikke catalogus bij, die ik uiteindelijk rijker en interessanter vind dan de catalogus Tot lering en vermaak. Al bestaat er een duidelijke verwantschap tussen beide publicaties.
4. Wat zijn je plannen op de korte en langere termijn?
Op korte termijn moet er een stuk voor Kunstschrift worden geschreven, en later nog een aantal bijdragen. In het verschiet (voorjaar 2013) ligt onder meer de samenstelling van een tentoonstelling en een catalogus over de mythologische tekeningen van Peter Vos (1935-2010), die gehouden zal worden in het Rembrandthuis en in het Institut Néerlandais in Parijs. Ik werk daar samen aan met Jan Piet Filedt Kok, met wie ik vorig jaar een boekje heb geschreven ter begeleiding van de door hem georganiseerde expositie van werk van Peter Vos en Charles Donker in het Centraal Museum in Utrecht.
5. Welk kunsthistorisch boek maakte een verpletterende indruk op jou, was/is misschien zelfs richtinggevend voor je werk?
Deze vraag heb ik eerder, in 2000, gekregen van de Academische Boekengids, ten behoeve van de rubriek ‘Op het spoor gezet’. Mijn antwoord besloeg, en dat was ook de bedoeling, bijna 2000 woorden. ‘Voor mij was dit boek niet minder dan een openbaring’ stond erboven. Deze hyperbool sloeg op Erwin Panofsky’s Meaning in the visual arts, het tweede of derde kunsthistorische werk dat ik ooit las, na Bernard Berensons Italiaanse schilders van de Renaissance waarvan ik de tekst stierlijk vervelend had gevonden.
6. Als het mogelijk was terug te gaan in de tijd, welke kunstenaar of kunsthistoricus zou je willen ontmoeten? Wat zou je hem of haar willen vragen?
Ik had Panofsky wel willen ontmoeten, om verschillende redenen, onder meer om hem het een en ander te kunnen vragen over zijn opvatting over kunstwerken als getuigenissen van een Weltanschauung. Hoewel ik de verleiding die daarvan uitgaat heel goed kan begrijpen, lijkt dit hegeliaanse inzicht mij veel te idealistisch. Ik zou ook benieuwd zijn te horen wat Panofsky vond van de kritiek van Gombrich terzake (in diens In search of cultural history). En verder zou ik kunstenaars als bijvoorbeeld Ferdinand Bol, Jan Miense Molenaer, Gabriel Metsu, Johannes Vermeer of Frans van Mieris wel willen ontmoeten, om hen bibberend te vragen of datgene wat ik heb beweerd over een aantal van hun werken zonder meer geschift is, of dat het wel meevalt.
7. Van welk kunstwerk of gebouw gaat jouw hart sneller kloppen en waarom?
Een aardige vraag voor een iconoloog, omdat soms wordt gezegd dat iconologen geen smaak hebben en geen gevoel voor kwaliteit, dat mooi en lelijk voor hen nauwelijks een rol speelt en dat hun hart alleen maar sneller gaat kloppen bij het ontdekken van intellectuele puzzels. Ach, van zoveel kunstwerken gaat er bij mij van binnen iets kloppen. Laat ik bijvoorbeeld Manets Ontbijt in München noemen. Of zijn Bar aux Folies Bergère in de Courtauld Institute Galleries, beide grandioze creaties die een maximale ogenlust teweeg brengen. Of bepaalde portretten van Degas, idem dito. Ik ben ook wel eens overvallen door het syndroom van Stendhal. Dat gebeurde tijdens een van de vele keren dat ik rondzwierf in de National Gallery in Londen. Bij de laat vijftiende-eeuwse Venetianen sloeg de esthetiek plotseling zo ingrijpend (en aangrijpend) toe dat ik min of meer het museum ben uitgevlucht. Waarom juist de genoemde schilderijen bij mij emoties opriepen, respectievelijk aanleiding gaven tot een nogal theatrale aandoening van het gemoed, en waarom andere schilderijen die technisch en esthetisch op eenzelfde hoog niveau staan, dat niet doen, daar heb ik geen idee van. Misschien hoort deze vraag eerder thuis bij een psycholoog dan bij een kunsthistoricus.
8. Welke tentoonstelling heb je als laatste gezien? En wat vond je ervan?
Stanley Spencer. Schilderkunst tussen hemel en aarde. Zeer de moeite waard, onder meer om Spencers mensbeeld en zijn vaak bizarre iconografie, inclusief de verbeelde metafysica. Een gedurfd initiatief van de Kunsthal Rotterdam en van de samenstelster Alied Ottevanger die ter begeleiding van de tentoonstelling ook een uitstekende studie over deze Engelse kunstenaar publiceerde. Spencer is in Nederland nagenoeg onbekend, wat voor de Engelse schilderkunst uit de twintigste eeuw in het algemeen geldt.
9. Wat verwacht je van een vereniging voor kunsthistorici?
Belangenbehartiging. Bevordering van discussie, over allerlei aspecten van het vak en over de relatie tussen kunstgeschiedenis en maatschappij. De bijeenkomst in Teylers Museum op 11 november was daar een geslaagd voorbeeld van.
10. Welke tip of goede raad wil je je collega-kunsthistorici meegeven?
Misschien is het wat aanmatigend om collegae bepaalde kennis aan te bevelen, kennis die velen misschien ook allang bezitten. Maar ik doe het toch maar even – dit is tenslotte de laatste vraag. Het gaat mij om de geschiedenis van het vak, in de eerste plaats hoe zich die in Nederland heeft voltrokken, vanaf Vogelsang en Martin aan het begin van de vorige eeuw. Ik vermoed, en heb dat ook wel gemerkt, dat sommige jonge kunsthistorici betrekkelijk weinig weten over de sleutelfiguren uit vorige generaties. Wij staan in de traditie waarvoor deze mensen de grondslag hebben gelegd, ook al zijn hun inzichten vanzelfsprekend in menig opzicht gedateerd. Maar alleen al historiografisch zijn hun standpunten interessant. De geschiedschrijving van de kunsthistorische discipline is in ons land laat op gang gekomen en ze is zeker nog niet voltooid. Veelbelovend was de bundel Kunstgeschiedenis in Nederland. Negen opstellen, verschenen onder redactie van Peter Hecht, Chris Stolwijk en Annemieke Hoogenboom, maar de publicatiedatum ligt inmiddels alweer dertien jaar achter ons. Hoogste tijd dus voor een vervolg.