Voor VNK leden
Met ingang van 1 januari 2010 is de jaarlijkse contributie voor leden met een betaalde baan
€ 30,- en de jaarlijkse bijdrage van studenten en leden zonder betaalde baan € 23,-.
Wij danken u voor uw inzet!

Interview
Kunsthistoricus in de kijker
Iedere maand vindt u hier een nieuw interview met een kunsthistoricus die zich in de kijker heeft gespeeld. In de maand november geeft Bert Meijer antwoord op de tien vaste vragen.
Bert Meijer, 67 jaar, oud-directeur van het Nederlands Kunsthistorisch Instituut in Florence en emeritus (bijzonder) hoogleraar aan de Universiteit Utrecht is dit academisch jaar Senior Kress Professor bij de National Gallery/ Center for Advanced Study in the Visual Arts in Washington.
1.Waarom ben je kunstgeschiedenis gaan studeren?
Wie weet. Het was een aftelsom. De ene na de andere studierichting viel af; er bleef gewoon niets anders over. Ongetwijfeld geinspireerd door wat er als kind thuis met de paplepel was ingegoten.
2.Welke verwachtingen had je aangaande je toekomstige carrière en wat is daarvan uitgekomen?
Ik ben nooit een carrière-planner geweest, laat staan een lange termijnplanner, heb eigenlijk nooit toekomstplannen gemaakt en verwachtingen gekoesterd. Wel ging ik er gewoon van uit en heb geen moment getwijfeld dat ik na de studie aan het werk zou gaan. En zo ging het. Een advertentie in de krant. Solliciteren. En aan het werk, bij de Universiteit van Amsterdam. Andere tijden. En ook wat volgde – Florence, Utrecht en nu Washington – het is nooit gepland, maar het gebeurde en gebeurt.
3.Wat beschouw je als een succesmoment tijdens je loopbaan als kunsthistoricus? Waar ben je echt trots op?
Ik zie niet zoveel in vragen die een beetje opschepperig antwoord over mijn of andermans prestaties uitlokken. Het is allemaal nogal betrekkelijk. Een beetje creatief initiatieven en projecten bedenken vind ik leuk maar je kan eindeloos dingen bedenken. Waar het om gaat is realiseren. Bij een aantal zaken is dat gelukt, zoals het met een duidelijk onderscheidbare eigen functie op de Italiaanse en internationale kaart zetten van het Nederlands Interuniversitair Kunsthistorisch Instituut in Florence. Maar dat is niet zo zeer mijn verdienste alswel het vreemd genoeg alleen in Nederland onderschat resultaat van een gezamelijke inspanning van mij en anderen. Leuk ook het stimuleren van studenten en onderzoekers/sters van alle leeftijden en het de wereld in helpen van publicaties van anderen en uiteraard die van mezelf. Wat goed doet om te horen is als mensen tegen je zeggen dat de tentoonstelling die je hebt gemaakt de mooiste is die ze ooit in hun stad of waar dan ook hebben gezien. Dat was te vaak het geval bij Vermeer en Delft in Modena (2007) en die over Florence en de Nederlanden in de 15e eeuw in Florence (2008) om toeval te kunnen zijn. Ik neem aan dat dat succes is. Maar ook dat was het resultaat van werk van velen.
4.Wat zijn je plannen op de korte en langere termijn?
Ik ben bezig door de jaren heen gepubliceerde artikelen over Venetiaanse tekeningen uit de periode 1590-1650 om te werken en er materiaal aan toe te voegen voor een boek over dit nog maar zeer gedeeltelijk bestudeerde onderwerp. Ook zal ik nog wel even bezig blijven samen met en voor het NIKI in Florence met het Repertorium over Nederlandse en Vlaamse schilderijen in Italiaans openbaar bezit, waarvan het deel over Piemonte momenteel bij de drukker is. En ik ben aan het nadenken over een aantal tentoonstellingen die ik wil maken over deze en andere thema’s.
5.Welk kunsthistorisch boek maakte een verpletterende indruk op jou, was/is misschien zelfs richtinggevend voor je werk?
Het is ongetwijfeld het totaal van wat ik tijdens mijn studietijd heb gezien, gehoord, gelezen en geleerd dat verpletterend en richtinggevend was. Maar een boek dat daarbij een heel speciale eye-opener is geweest is L’Antrinascimento van Eugenio Battisti, voor het eerst verschenen in 1968, maar daarna vertaald en vele jaren later ook in een updated en aangevulde editie gepubliceerd. Ik geloof dat we met Anton Boschloo en Jan Emmens de eerste Nederlandse kunsthistorici waren die kennis namen van dit uitzonderlijk rijke, diepgravende en meeslepende boek over wat je zou kunnen noemen de wederhelft van de ‘officiële’ cultuur, waarmee daarentegen de meeste andere kunsthistorici zich toen vrijwel uitsluitend bezighielden en zich terecht nog steeds bezighouden. Rinascimento e Barocco van dezelfde auteur dat wel over officiële cultuur gaat was niet minder. In Italië wekte Battisti’s werk door zijn ongelofelijk brede en ontraditionele benadering weerstand op. Hij was gewoon te goed.
6.Als het mogelijk was terug te gaan in de tijd, welke kunstenaar of kunsthistoricus zou je willen ontmoeten? Wat zou je hem of haar willen vragen?
Laten we het maar op een kunstenaar houden. Omdat er zo weinig over is van schilderkunst uit de klassieke oudheid en met name ook van wat Plinius daarvan beschrijft zou ik als ie echt zo goed was als Plinius zegt Apelles willen vragen of hij me wat van zijn werk zou kunnen laten zien. Het zal nog wel even duren voordat dàt gebeurt, vrees ik.
7.Van welk kunstwerk of gebouw gaat jouw hart sneller kloppen en waarom?
Van beeldende en bouwkunst die het gevoel geeft dat die je boven het niveau van het dagelijks leven tilt. Dan is het goed.
8. Welke tentoonstelling heb je als laatste gezien? En wat vond je ervan?
Man Ray, African Art and the Modernist in de Phillips Collection in Washington. In historisch opzicht opvallend precies en bijzonder efficient gedocumenteerd en fascinerend hoe en welke objecten van die zogenaamd primitieve kunst gewaardeerd en gebruikt werden door pioniers van de moderne fotografie zoals Alfred Stieglitz, Walker Evans en Man Ray. Zoals te vaak met tentoonstellingen het geval is, buiten proportie groot en daardoor wat repetitief en niet helemaal uitgebalanceerd.
9.Wat verwacht je van een vereniging voor kunsthistorici?
Geen schoolreisjes en studiedagen, maar maatschappelijke belangenbehartiging voor kunsthistorici.
10.Welke tip of goede raad wil je je collega-kunsthistorici meegeven?
Kunstgeschiedenis moet je doen als, of omdat, je er aardigheid in hebt. Maar tegelijk ten opzichte van primaire levensbehoeften zoals gezondheid, voldoende eten en drinken, ergens wonen, vrede en vrijheid e.d. het belang ervan niet overschatten. Dan blijft het allemaal redelijk en plezierig.