Voor VNK leden
Met ingang van 1 januari 2010 is de jaarlijkse contributie voor leden met een betaalde baan
€ 30,- en de jaarlijkse bijdrage van studenten en leden zonder betaalde baan € 23,-.
Wij danken u voor uw inzet!

Kunsthistoricus in de kijker: Mària van Berge-Gerbaud
Iedere maand vindt u hier een nieuw interview met een kunsthistoricus die zich in de kijker heeft gespeeld. In de maand mei geeft Mària van Berge-Gerbaud antwoord op de tien vaste vragen.
Mària van Berge-Gerbaud (1945) studeerde kunstgeschiedenis & archeologie aan de Universiteit van Amsterdam (1964-1971). Zij ging na haar afstuderen voor twee jaar naar Parijs om als assistent-conservator te werken bij de Collectie Frits Lugt. Deze verzameling wordt beheerd door de Fondation Custodia, die door het echtpaar Lugt-Klever in 1947 is opgericht teneinde hun verzamelingen bijeen te houden. In 1975 conservator volgde zij in 1994 Carlos van Hasselt op als directeur. Eind mei 2010 bereikt ze de pensioengerechtigde leeftijd wanneer ze opgevolgd wordt door Ger Luijten, voormalig hoofd van het Rijksprentenkabinet te Amsterdam.
Waarom ben je kunstgeschiedenis gaan studeren?
Het woord kunst en het woord geschiedenis hadden beiden hun eigen aantrekkingskracht. In eerste instantie heb ik ook overwogen of ik niet naar de kunstnijverheidschool zou gaan. Mij werd als advies gegeven: als je dat wilt doen moet je dat willen en niets anders. Maar ik wilde zoveel, dus toen is het kunstgeschiedenis geworden. In mijn tijd waren het vrijwel allemaal hoorcolleges, gegeven door topprofessoren. De examens waren mooi verspreid over de jaren; je kon er zo lang over doen als je wilde. De eerste werkgroep die gecreëerd werd betrof de voorbereidingen voor een excursie onder Van Regteren Altena naar Noord-Spanje (1969). Van enige ervaring of stagelopen in musea was geen sprake. Het was puur (zwartwit) plaatjes kijken; maar gelukkig dankzij een aantal fantastische excursies en eigen nieuwsgierigheid zag je dat niet elk kunstwerk de maat van een opgeblazen dia had!
Welke verwachtingen had je aangaande je toekomstige carrière en wat is daarvan uitgekomen?
Ik behoorde tot de eerste geboortegolf. Terwijl in het jaar daarvoor nog, meen ik, zes nieuwejaars werden geteld zaten er in ons jaar al over de 40 studenten waarvan meer dan de helft aan het eind van het eerste jaar zijn propedeuse heeft gedaan. Bij de voorlichtingsdagen werd ook gemeld dat de kans op het vinden van een baan zéér klein was. Ik vond dat eerder een stimulans in de zin van dat zien we tegen die tijd wel. Tijdens mijn studententijd was ik ook 1½ jaar kandidaatsassistente met een eigen project, meer de onderzoekskant uit dan de museumkant die het uiteindelijk is geworden (en waar ik toen eigenlijk geen weet van had!). Voor mij stond voorop dat ik een aantal jaren in het buitenland wilde werken. Beurzen en/of uitwisselingen waren er destijds aanzienlijk minder. De enige kunsthistorische baan die er in het buitenland voorhanden was betrof de baan van (assistent-)bibliothecaris van het Istituto olandese universitario di storia dell’arte in Florence. Gedurende drie maanden in 1970 ter voorbereiding van mijn hoofdscriptie (de topografie van de hel van Dante in de schilderkunst) heb ik daar in het instituut gezeten en wel bedacht dat als je Florence ‘overleeft’ dan overleef je alles! Er gebeurde bepaald minder opwindende dingen dan toen in Amsterdam of Parijs. Maar als die bibliotheek baan zou zijn vrij gekomen dan zou ik het zeker gedaan hebben. Gelukkig deed zich toen de mogelijkheid voor om voor twee jaar naar Parijs te komen om in de Collectie Frits Lugt werkzaam te zijn. Dat was overzienbaar en bovendien de stad waar ik graag wilde wonen, reden waarom ik in een razendsnel tempo ben afgestudeerd. In het begin viel het wonen in de Lichtstad behoorlijk tegen, maar de verzameling met zijn vele facetten en superhoge kwaliteit was (en is) zo boeiend dat ik er geen moment over heb gedacht om terug te keren en naar iets anders uit te kijken. Ik bemerkte toen ook dat het werken in een collectie en het omgaan met – in dit geval vooral – werken op papier op mijn lijf geschreven was. Doordat de staf bestond uit de directeur, een secretaresse, een boekhouder, een halftime restaurator en mijzelf, moest je eigenlijk alles zelf doen. Custodia was bovendien gelieerd aan het Institut Néerlandais waar vrijwel alle tentoonstellingen die de oude kunst betroffen door ons werden georganiseerd. Bovendien assisteerde ik vaak bij de moderne of contemporaine manifestaties, aangezien er behalve de conciërge (!) niemand enig verstand had van het inrichten van een tentoonstelling.
Wat beschouw je als een succesmoment tijdens je loopbaan als kunsthistoricus? Waar ben je echt trots op?
Nogal onbescheiden heb ik over een viertal tentoonstellingen met bijbehorende mooi vorm gegeven catalogi een goed gevoel. De eerste was een huzarenstukje toen we als équipe achter de rug om van de scheidende directeur, Carlos van Hasselt, in 1994, in drie maanden tijd met 130 verschillende auteurs een ‘feestcatalogus’ in elkaar hebben gedraaid betreffende een keuze van zijn aanwinsten over de periode 1970-1994. Daarvoor werd het 18de eeuws Hôtel Turgot geheel ontruimd en als tentoonstellingsruimte ingericht. Bij die gelegenheid kon het interieur en de sfeer van het door Frits Lugt ingerichte ‘stadspaleisje’ door vele mensen ervaren en ‘geproefd’ worden. Hetzelfde is nog eens gebeurd met de tentoonstelling Hartstochtelijk verzameld die wij in 2003 samen met het Teylers Museum in Haarlem hadden georganiseerd. Hiervoor kwamen wij eigenlijk een jaar aan tijd tekort maar het is toch gelukt om een fascinerende tentoonstelling over het verzamelaarwezen van tekeningen zo beeldend over te brengen dat we er nog steeds complimenten over krijgen. In navolging van Teylers Museum, waar jaarlijks een kunstbeschouwing wordt gehouden, heb ik toen gedurende de tentoonstelling hier in Parijs elke week een dergelijke bijeenkomst georganiseerd waar behalve museummensen, liefhebbers, hoge pieten, kunstenaars als Giuseppe Penone en (kunsthistorische) studenten aan deel namen. Zelf had ik intussen de euvele moed gehad om de Rembrandttekeningen en school in de Collectie Frits Lugt te beschrijven, een tentoonstelling die ook in 1997 in Haarlem te zien was. (Hiervan komt dit jaar de bestandscatalogus door Peter Schatborn uit). De tentoonstelling werd het jaar daarop gevolgd door de prachtige expositie Het landschap van Rembrandt, samengesteld door het Gemeentearchief van Amsterdam en opgedragen aan Frits Lugt, de auteur van Wandelingen met Rembrandt in en om Amsterdam uit 1915. Afgelopen winter ging de tentoonstelling From Watteau to Degas met 64 tekeningen uit de Collectie Frits Lugt in de Frick Collection te New York open. Hiervan werd de catalogus door de Amerikaanse collegae verzorgd. Eenmaal hier in Parijs (februari-maart 2010) kwamen er vanwege een grotere ruimte nog eens 40 bladen bij die vooral de 19de eeuw versterkten. Ik constateerde toen dat behalve door Frits Lugt met zijn fantastische Watteau’s en andere 18de eeuwse klassiekers, een derde door mijn voorganger was aangeschaft en een derde door mijzelf. Maar wel geheel in de traditie van Lugt, dwz. een a-typische – beslist geen Franse – keuze. Lugt hield niet van historische of mythologische uitbeeldingen en zeker niet van het Franse neoclassicisme; Carlos van Hasselt ging door met het aanschaffen van landschappen van minder bekende 18de eeuwers maar is vervolgens ook de 19de eeuw gaan verzamelen waarbij ik langzamerhand de ‘gaten’ kon invullen. De Franse bezoekers wisten niet wat ze zagen, kunstenaars waar ze nog nooit van gehoord hadden, maar de een nog interessanter of fraaier dan de ander. Ik heb van velen gehoord dat ze wel drie keer zijn teruggekomen. Ik moet bekennen dat zoiets erg bevredigend is. En dan natuurlijk het absolute hoogtepunt, wat niet door mij maar door een heel equipe tot stand is gekomen, de heruitgave van Lugt’s Marques de Collections, de bijbel van het verzamelwezen op papier, en de lancering daarvan op internet (www.marquesdecollections.fr). Er is een begin gemaakt om de meer dan 5000 nieuwe merken te verwerken naast de aanvullingen op de twee eerdere edities (1921 & 1956). Als ik ergens trots op ben is het dat! Iedereen die dit boek (of nu de site; overigens heel duidelijk en prettig vorm gegeven!) hanteert zal begrijpen hoe interessant en belangrijk dit monnikenwerk van Frits Lugt is.
Wat zijn je plannen op de korte en langere termijn?
Behalve dat ik het een en ander nog moet afmaken ben ik van plan Arabisch te gaan studeren om eindelijk de teksten van de Indiase Mogol miniaturen die zich in de verzameling en elders bevinden te kunnen lezen.
Welk kunsthistorisch boek maakte een verpletterende indruk op jou, was/is misschien zelfs richtinggevend voor je werk?
Misschien niet langer verpletterend maar inderdaad maakten destijds Eeuwige schoonheid van Gombrich en vooral ook The History of Art van H.W. Janson diepe indruk. In elk geval toen ik laatstgenoemd ‘boek’ in de jaren ’70 in levenden lijve ontmoette ontspon er een gesprek over kunst en kunstenaars wat uitliep op een gift van een aantal kunstenaarsbrieven voor de Collectie Frits Lugt. In recentere tijd had met name het boek The Ephemeral Museum van Francis Haskell, de auteur van Patrons and Painters, mijn belangstelling.
Als het mogelijk was terug te gaan in de tijd, welke kunstenaar of kunsthistoricus zou je willen ontmoeten? Wat zou je hem of haar willen vragen?
Ja, toch wel Rembrandt, al is het alleen maar om hem de ‘problemen’ voor te leggen. En wat de kunsthistorici betreft, zou ik eindelijk Frits Lugt (1884-1970) willen ontmoeten wiens verzameling ik nu ruim 38 jaar heb mogen helpen beheren.
Van welk kunstwerk of gebouw gaat jouw hart sneller kloppen en waarom?
Het grote zelfportret van Rembrandt uit 1658 in de Frick Collection. Hij blijft je nakijken in die grote zaal, trots en verongelijkt tegelijk lijkt wel. Volgend jaar wordt er de schijnwerper opgezet, vergezeld van de Rembrandttekeningen en -etsen uit de Collectie Frits Lugt (gelukkig wel belicht door een ‘spot’ dat de 50° Lux niet te boven gaat).
Welke tentoonstelling heb je als laatste gezien? En wat vond je ervan?
Charley Toorop in het Musée d’Art Moderne de la Ville de Paris. Prachtig gehangen tegen een spierwitte achtergrond zoals ze zelf ook haar huis had ingericht. Al die zware schilderijen werden opeens licht. Jan van Gelder die voor de Collectie Frits Lugt veel betekend heeft schreef in 1951 naar aanleiding van haar grote retrospectieve tentoonstelling in Den Haag-Amsterdam-Eindhoven dat ‘Wanneer over 50 jaar zou blijken dat de vormkracht van je werk niet sterk genoeg zou blijken te zijn geweest – maar ik zelf geloof daar niet in – dan is het toch goed bij de opening van je tentoonstelling nog eens te getuigen dat je werk voor je tijdgenoten en je vrienden heeft betekend de verpersoonlijking van je levenskracht die het leven waard maakt er in te geloven.’ Het feit dat een belangrijk Frans Museum het heeft aangedurfd deze voor Frankrijk totaal onbekende kunstenares te tonen kan in deze tijd van bezoekersaantallen tellen niet genoeg geprezen worden. Degenen die de tentoonstelling bezocht hebben zijn dan ook diep onder de indruk van het werk èn de persoonlijkheid van deze bijzondere vrouw.
Wat verwacht je van een vereniging voor kunsthistorici?
Een ontmoetingsplaats waar niet alleen nieuwtjes maar ook ideeën uitgewisseld kunnen worden. Hiertoe bewijst de website een grote dienst.
Welke tip of goede raad wil je je collega-kunsthistorici meegeven?
Ik schrik eigenlijk nog steeds van de scheiding tussen universitaire kunsthistorici en kunsthistorici in ‘het veld’. Het is ons vaak overkomen dat wanneer er bijvoorbeeld bij ons of in het Institut Néerlandais een symposium wordt gegeven over een onderwerp waarvan wij een aantal kunstvoorwerpen bezitten die wij bij die gelegenheid laten zien, de onderzoekers met de rug naar de vitrine met elkaar staan te praten. Geen enkele nieuwsgierigheid. Voor mij is kunstgeschiedenis een vak dat je in gelegenheid stelt iets – na kortere of langere bestudering – over te brengen, mede te delen. Niet eeuwig in je eigen onderzoek of specialiteit blijven vastzitten. En daar is nieuwsgierigheid voor nodig, meer willen weten, je horizon verruimen en vooral leren kijken!
Parijs, 5 mei 2010