Voor VNK leden
Met ingang van 1 januari 2010 is de jaarlijkse contributie voor leden met een betaalde baan
€ 30,- en de jaarlijkse bijdrage van studenten en leden zonder betaalde baan € 23,-.
Wij danken u voor uw inzet!

Bijeenkomsten
Kunsthistorische Dag 2009: Kunsthistorici gaan digitaal!
Op 20 november j.l. vond de jaarlijkse Kunsthistorische Dag van de VNK plaats in het RKD in Den Haag. Het middagprogramma omvatte een viertal lezingen, die de breedte van het thema belichtten.
Tijdens de eerste presentatie ging Rieke van Leeuwen, conservator kunsthistorische databases bij het RKD, in op de digitale architectuur van het RKD. Hoewel het fundament van de database is gelegd in de jaren 1980, is deze nog steeds in ontwikkeling doordat er steeds weer conversies plaatsvinden. De bedoeling is dat de samenhang van het geheel groter wordt en dat het mogelijk wordt dwarsverbanden te leggen. Er zijn databases over de eigen collectie van het RKD, en databases die een hulpmiddel zijn voor de erfgoedsector. Kerntaken van het RKD zijn namelijk het verzamelen, ontsluiten, beheren en beschikbaar stellen van de RKD collecties én zich voor de erfgoedsector profileren als thesaurusbeherende instelling.
RKDartists, gestart als papieren systeem, had vanaf het begin een bredere scope dan alleen een kunstenaarsindex. Ook kunsthandelaren, kunstverzamelaars en kunsthistorici zijn opgenomen in de database. De database vormt een index op de omvangrijke kunsthistorische documentatie van het RKD. Ook andere erfgoedinstellingen gebruiken RKDartists als thesaurus bij het ontsluiten van hun eigen collecties.
RKDartists bevat op dit moment gegevens van zo'n 250.000 kunstenaars en sinds kort ook van 40.000 fotografen, dankzij de samenwerking met Het Fotomuseum Rotterdam en www.fotografen.nl. De gegevens worden stelselmatig aangevuld door medewerkers van het RKD en er wordt informatie toegevoegd van gebruikers buiten het RKD, die hun vondsten doorgeven. Ook krijgt het RKD regelmatig informatie van de kunstenaars zelf of van hun familieleden. Op deze manier werkt RKDartists als een platform voor het verzamelen van gegevens over kunstenaars.
RKDimages is een database met beschrijvingen en afbeeldingen van hoofdzakelijk Nederlandse schilderijen, tekeningen, prenten en originele foto’s van vóór de Tweede Wereldoorlog (dit in verband met het copyright probleem van moderne kunst). Inmiddels bevat deze database ca. 155.000 kunstwerken. In RKDimages komen ook records voor van kunstwerken die niet in de papieren beelddocumentatie zitten.
Het dak van het digitale RKD gebouw is RKDmonographs: een digitale publicatie online waarbij informatie uit de databases wordt opgehaald, zodat RKD bezoekers het bestudeerde materiaal in een wetenschappelijke context kunnen plaatsen.
Andere, recente digitaliseringsprojecten binnen het RKD zijn ondermeer het onlangs gelanceerde Iconclass, de Art & Architecture Thesaurus en het Centraal Register Vormgevers Archieven.
Voortdurend wordt gewerkt aan een nog betere doorzoekbaarheid van de RKD databases.
(www.rkd.nl)
Vervolgens was het woord aan Truus van Bueren, universitair hoofddocent aan de Universiteit Utrecht. Zij wist op overtuigende wijze duidelijk te maken hoe de digitale ontsluiting van bestaande onderzoeksgegevens een welkom instrument kan zijn bij verdere studie. In een uitvoerige en zeer gespecialiseerde database bracht zij met behulp van andere onderzoekers de afbeeldingen en vele gegevens samen van ruim 500 memorievoorstellingen die voornamelijk gemaakt werden in de periode tussen c. 1480 en 1585 op het grondgebied van het huidige Nederland. Deze in de regel gebeeldhouwde of geschilderde voorstellingen bestonden uit religieuze scènes met portretten (en/of wapenschilden) en geschreven teksten en waren een wijdverbreid fenomeen in de genoemde periode. De teksten identificeerden de geportretteerden en riepen de beschouwer op voor hun zielenheil te bidden, waarmee de memorietafel een functie had in de middeleeuwse dodengedachtenis. Naast dit religieus-liturgische aspect had de memoriecultuur ook vaak sociale, historische, juridische en politiek-maatschappelijke componenten. Het hier en hiernamaals waren nauw met elkaar verbonden.
Een voorbeeld van een memoriefafel is het beroemde drieluik Laatste Oordeel van Anna van Noordwijk. Het werd rond 1510-15 door Jan Mostaert gemaakt voor de Dominicanerkerk in Utrecht (nu in het Rheinisches Landesmuseum, Bonn). Met behulp van de voornoemde database kunnen specifieke aspecten van deze memoria op vrij eenvoudig wijze vergeleken worden met andere stukken, waardoor bepaald kan worden of en in hoeverre het stuk conventioneel of juist onconventioneel is. Truus van Bueren kwam aan de hand van de database onder andere tot de conclusie dat het Laatste Oordeel van Anna van Noordwijk de enige memorietafel is waarin de familie van de afgebeelde vrouw een centrale rol speelt en dat het maar zeer zelden voorkomt, dat meerdere generaties geportretteerden voorkomen en dat er geen andere memoria is waarin een afbeelding van het Laatste Oordeel wordt gecombineerd met standaard heiligen als voorsprekers. Al deze afwijkingen van de conventie genereren weer interessante nieuwe onderzoeksvragen, waarmee de database een belangrijke faciliterende functie heeft bij de studie naar memorievoorstellingen
(www.let.uu.nl/memorie)
Jop Ubbens, Chairman Christie's Amsterdam, bracht een heel ander aspect van digitalisering op kunsthistorisch gebied naar voren: kunst kopen op de veiling via internet.
Ubbens beschrijft hoe de markt in 2008 veranderde in een markt die anti-speculatie, anti-hebzucht was. Mensen wilden degelijke, veilige spullen kopen, richtten zich op gevestigde namen, waardoor de prijsstelling realistischer werd. Christie’s Amsterdam speelde op deze verandering in door haar strategie te veranderen, bijvoorbeeld door meer op emotie in te spelen. En ze veranderde de indeling van de veilinggebieden. De eerste markt werd nieuwe en oude meesters (voor 1850), de tweede markt werd Impressionisten en modern (1850-1940) en de derde markt 'van Appel tot Zandvliet'. Daarnaast zijn er de luxe veilingen: wijn en juwelen (met gecombineerde kijkdagen, omdat het eenzelfde publiek trekt) en de ouderwetse boedelveilingen à la Frederik Muller.
En tegenwoordig is het dus mogelijk om behalve in de zaal, via een schriftelijk bod en via de telefoon, ook te bieden via internet met behulp van Christie’s Live. Een succesvolle methode, zo blijkt, want in 2008/9 bood een derde van het totaal aantal bieders via internet. 5 van de 10 kopers boden via internet, en 10 van de 12 onderbieders, die een belangrijke groep vormen. Digitaal bieden, via zogenaamde virtuele bidding rooms, dragen bij tot het internationale bereik. Het live bieden groeide van 11% in 2008 naar 29% in 2009. Maarliefst 35% van alle sale registrations werd online gemaakt in 2009. Zo werd er online een Koekkoek verkocht, voor 4 ton.
Christie’s heeft een e-catalogue en men kan bieden via de i-Phone. Op de site zijn conditierapporten op te vragen, details van kavels, veilingresultaten, slideshows van sales, seasons highlights enzomeer. De digitalisering kan tevens ingezet worden met het oog op de marketing. Ubbens vertelt dat er binnen Christie's IT teams fulletime aan werken. Want 'art is business, and business is art' zo citeert Ubbens Andy Warhol.
(www.christies.com)
De laatste lezing rondom het thema digitalisering werd verzorgd door Erik van Tuijn, kunstcriticus, publicist en (web)editor. Aan de hand van de plannen voor de doorstart van het tijdschrift Jong Holland stelde hij publiceren op het internet centraal in zijn bijdrage. Jong Holland moet weer het internationale publicatiepodium worden op het gebied van de 19e- en 20e-eeuwse Hollandse kunst, wat het tussen 1984 en 2007 ook was. Als lid van de denktank die hierbij betrokken is, kon hij ons inzage geven in de lopende ideeën.
In essentie zal aan de inhoud niet veel veranderen. De leesbaarheid zal centraal blijven staan, hoewel het streven is om het tijdschrift nog wetenschappelijker te maken. Het wordt een zogenaamd peer reviewed magazine. De belangrijkste verandering zal zijn, dat Jong Holland in de toekomst alleen nog via internet beschikbaar is. Door de nieuwe versie geheel digitaal te gaan leveren, in het Engels, zal het bereik van de publicaties vele malen groter zijn. Zodoende hoopt het blad de genoemde podium-functie te kunnen gaan vervullen
Terloops deed Van Tuijn de aanwezige kunsthistorici handige tips van de hand om ieders zichtbaarheid op het internet te vergroten. Met onder meer activiteit op sociale sites als Linkedin en Facebook is dit te bereiken, maar ook door Wikipedia pagina's te schrijven of aan te vullen, of door gedeelten van boeken of andere publicaties online aan te bieden. Hij besloot zijn goede raad met de opmerking, dat het internet interessant is om jezelf te profileren, maar niet het geschikte medium is om direct geld mee te verdienen. Erik van Tuijn geeft zelf workshops waarin hij één en ander nader toelicht.
(www.jong-holland.blogspot.com)
(http://nl.linkedin.com/in/erikvantuijn)
Voorjaarsmiddag 2009
Op 15 april vond de jaarlijkse Voorjaarsmiddag van de VNK plaats. Na ontvangst met koffie en thee in Gember, het café-restaurant van het Fotomuseum Den Haag en het GEM, museum voor actuele kunst, was het tijd voor de lezingen in het auditorium van het Gemeentemuseum. Het thema van de middag was Kunstgeschiedenis, fotografie en visuele cultuur. Aanleiding was de tentoonstelling Man Ray – 'Zorgeloos, maar niet onverschillig' in het Fotomuseum.
Na een woord van welkom door VNK voorzitter Claudine Chavannes leidde Wim van Sinderen, conservator van het Fotomuseum Den Haag, de tentoonstelling over Man Ray in. Man Ray - feitelijk één van de eerste multimediale kunstenaars- is nog steeds mede bepalend voor de manier waarop wij nu tegen kunst aankijken, aldus Van Sinderen.
De titel van de tentoonstelling is een vertaling van de tekst op de grafsteen van Man Ray: 'Unconcerned but not indifferent'. De tentoonstelling is elders samengesteld, en bewerkt voor het Nederlandse publiek. Eerder was de tentoonstelling te zien in Berlijn, Madrid en Parijs.
Man Ray behoort tot de Top 20 van meest exposerende overleden kunstenaars en Van Sinderen beaamt dat het een naam is om als museum mee te 'scoren'. Maar wie alle grote iconen van Man Ray verwacht te zien, komt bedrogen uit, aldus Van Sinderen. En daar ging het ook fout in Parijs, waar de tentoonstelling werd gepresenteerd als DE Man Ray tentoonstelling. In deze tentoonstelling draait het namelijk niet om de topstukken, maar om de nalatenschap van Man Ray. En de getoonde kunst en voorwerpen zijn geen 'left-overs', zoals de kritiek in Parijs luidde, maar juist stuk voor stuk zaken die een prachtig inzicht verschaffen in het creatieve proces van Man Ray. Niet DE Man Ray-overzichtstentoonstelling met het complete oeuvre van de kunstenaar dus, maar wel een zeer waardevolle bronnen-of dossiertentoonstelling, aldus Van Sinderen.
Ter afsluiting van zijn verhaal toont Van Sinderen een korte film over het woonhuis annex atelier van Man Ray na zijn dood. Met vers op je netvlies de beelden van zijn exentrieke (inmiddels overleden) weduwe Juliet, al rokend en steeds van bril wisselend, tussen de tastbare herinneringen aan haar man, krijgt een bezoek aan de tentoonstelling een extra dimensie. Alsof de kunstenaar over je schouder meekijkt.
Hierna is het woord aan Rachel Esner. Zij is Universitair Docent en voorzitter van de opleiding MA in Photographic Studies van de Universiteit Leiden alsmede Universitair Docent aan de Universiteit van Amsterdam. Haar lezing is getiteld: Practising Photgraphy. Man Ray as model. Esner geeft in haar betoog haar visie op de positie van de fotografie binnen het kunsthistorisch kader aan de hand van persoonlijke ervaringen, beginnend bij haar opleiding aan de Columbia University in New York.
Ze vertelt hoe de fotografie als subdiscipline binnen het academisch onderwijs in de VS inmiddels is geaccepteerd. Dat is, zo meent Esner, zeker nog niet het geval in Nederland. Slechts zelden wordt het vak fotografie aan de orde gesteld, met uitzondering van Leiden, waar immers een masterprogramma Fotografie wordt aangeboden. Opvallend is volgens haar het feit dat er wel een aantal goede collecties en instituten in Nederland zich bezighouden met fotografie, maar dat er maar weinig connectie is met de academische discipline. Zou dat komen door de Nederlandse aversie tegen theorie? oppert Esner. Ze noemt het vreemd dat het medium fotografie, zoveel decennia na haar uitvinding, kunsthistorici nog steeds nerveus lijkt te maken. Ze vergelijkt de rol van de fotografie binnen het academisch onderwijs met een vondeling die is aangetroffen op de stoep, en die - eenmaal geadopteerd - het vertrouwde huishouden blijkt te verstoren en te ontwrichten. Want wat is fotografie eigenlijk: is het bijvoorbeeld kunst of juist documentatie? Staat het medium centraal (formalisme), of juist de context (post-modernisme)? Is fotografie subject of object? Die dialektiek is misschien verwarrend, maar wel inherent aan de (geschiedenis van de) fotografie. Maar bij welke discipline moeten we de fotografie dan onderbrengen? vraagt Esner zich af. Fotografie is een massaproduct, niet handgemaakt, niet uniek, en vragen over het auteurschap dringen zich op. Daarmee daagt fotografie alles uit waar de kunstgeschiedenis voor staat. Hoort fotografie dan wel thuis bij de Kunstgeschiedenis? Of moeten we de discipline van de kunstgeschiedenis veranderen? Of zouden we er beter aan doen fotografie onder te brengen bij bijvoorbeeld Mediastudies? Esner pleit voor een ander soort geschiedenis van fotografie, voor een andere benadering: foto's zouden bestudeerd moeten worden, niet enkel als esthetische, maar ook als sociale objecten, die betekenis hebben in een bredere context. De focus zou moeten liggen op fotografie in relatie tot het leven, niet alleen in relatie tot de kunst of de kunstgeschiedenis alleen. Als dat het geval is, kan er les worden gegeven op een manier waaraan nu behoefte is, die nu noodzakelijk is: 'allesomvattend, betrokken, levend', aldus Esner.
Ze noemt het werk van Man Ray voorbeeldig in deze context: hij wilde immers niet beschouwd worden als fotograaf. De fotografie was voor hem slechts een middel om te experimenteren en te spelen.
Als laatste deze middag spreekt Margriet Schavemaker, Universitair Docent aan de Universiteit van Amsterdam, over Kunstgeschiedenis, fotografie en ‘visual culture’. Zelf maakte ze de overstap van Kunstgeschiedenis naar Media & cultuur.
Door Walter Benjamin en Douglas Crimp werd destijds de authenticiteit en originaliteit van ondermeer fotografie ter discussie gesteld. Door haar reproduceerbaarheid zou fotografie het 'aura' van het kunstwerk gaan ondermijnen. Men vroeg zich ook af wat de houdbaarheid van musea was. Maar in plaats dat de musea verdwenen door de komst van de fotografie werd de fotografie op termijn, sinds de jaren 90 van de 20e eeuw, zelfs gemusealiseerd en daarmee tot kunst verheven, bepleit Schavemaker. Veelzeggend bijvoorbeeld is het feit dat de foto 99 Cent van Andreas Gursky meer dan 3 miljoen euro opleverde.
Binnen de fotografie bestaan inmiddels veel verschillende genres, de fotografie wordt binnen de kunstwereld volledig omarmd. Veel meer discussie is er binnen de persfotografie, waar het begrip 'waarheid' een grote rol speelt. In de kunstcontext speelt dat probleem niet, 'alles mag', aldus Schavemaker. Toen Sooreh Hera haar foto's tentoonstelde werd de religieuze inhoud weliswaar ter discussie gesteld, maar niet het medium zelf.
Hoe kunnen we de omarming van fotografie in het kunsthistorische veld verklaren? vraagt Schavemaker zich af. De discipline Visual culture (of: Visual studies) is ingezet begin jaren 90 en werd samengesteld uit verschillende nieuwe disciplines die zich met visuele beeldmedia bezighielden. Doel is het interdisciplinaire onderzoek naar de betekenis van beelden in de maatschappij en in relatie tot elkaar. Kern van Visual studies is: beter gaan kijken. Wat zeggen de beelden zelf? Hoe werkt het 'zien'? En de Kunstgeschiedenis verdwijnt niet in de Visual studies, zegt Schavemaker.
Fotografie is fundamenteel voor Visual culture. Het staat voor een mix tussen hoge en lage cultuur, tussen technologie, populaire cultuur en kunst. De maatschappij – iedereen; jij en ik- is bovendien gemedialiseerd door middel van fotografie. Iedereen is een fotograaf, iedereen is een model, en iedereen kan een expert zijn (bijvoorbeeld via het discours op digitale platforms). We kunnen alle posities in het fotografische veld innemen en dat doen we ook. We moeten ons realiseren dat fotografie niet objectief of neutraal is, maar gemanipuleerd.
Het onderscheid tussen kunst en fotografie wordt steeds kleiner. Het is dan ook zinvol voor kunsthistorici om de fotografie te omarmen. Er zijn voorbeelden te over: Cindy Sherman die speelt met de tegenstelling actief en passief, de rol van de man versus die van de vrouw, de rol van de fotograaf. Jeff Wall met zijn gelaagde, geensceneerde fotografie. Gerhard Richter die wazige foto-esthetiek naschildert en daarmee aantoont hoe fotografie in de beeldende kunst voort kan leven.
Fotografie is een populair, geaccepteerd medium, waar iedereen mee uit de voeten kan. De scheiding tussen fotografie en kunst is opgeheven door ontwikkelingen op het gebied van wetenschap/methode, technologie en kunstcontext. En, zo verklaart Schavemaker, hoewel fotografie aanvankelijk de belofte van verandering in zich leek te hebben, blijkt er eigenlijk helemaal niets veranderd. Moeten we dan nu rouwen om het verlies van kritisch potentieel van de fotografie, nu zij gemusealiseerd en gecommercialiseerd is? Schavemaker haalt Rutger Wolfson aan die beweert dat het museum een plek is voor ideeën en dus bij uitstek de plaats om visual culture op een kritische, onafhankelijke manier te onderzoeken. Boris Groys onderkent de belofte van fotografie, omdat het inzicht biedt in hoe de hedendaagse beeldcultuur werkt en omdat alle posities voor iedereen toegankelijk zijn.
Aansluitend op de lezingen was er de gelegenheid om de tentoonstelling over Man Ray in het Fotomuseum te bezoeken, en (nu we er toch waren) ook Liefde! Kunst! Passie! Kunstenaarsechtparen in het Gemeentemuseum. De geslaagde middag werd afgesloten met een borrel op het zonovergoten terras van Gember.
Literatuur lezing Rachel Esner:
Geoffrey Batchen, Burning with Desire: The Conception of Photography, Cambridge, MA: MIT Press, 1999
Literatuur lezing Margriet Schavemaker:
N.Mirzoeff (red.), The Visual Culture Reader, New York: Routledge 2002 (1998)
W.J.T. Mitchell, Picture Theory. Essays on Verbal and Visual Representation, University of Chicago press, 1995
Boris Groys, 'The promise of photography,' in: Luminita Sabau (e.a.) (red.) The promise of photography : the DG Bank collection essays, Munchen/New York: Prestel, 1998
Rutger Wolfson, Het museum als plek voor ideeën, Amsterdam: Valiz, 2007
Rutger Wolfson (red.), Kunst in Crisis, Amsterdam: Prometheus, 2003
Kunsthistorische Dag 2008
Op 7 november j.l. vond de Kunsthistorische Dag van de VNK plaats in museumGoudA en de Agnietenkapel te Gouda. Het thema van de dag was 'De kunsthistoricus als freelancer'. Hieronder vindt u het verslag van de succesvolle dag.
Door: Claire van den Donk, Esther Dieltjes en Sophie van Steenderen
Foto's Kunsthistorische Dag 2008
De Kunsthistorische Dag dag begon rond tien uur met een rondleiding door museumgoudA. Ewoud Mijnlieff, conservator oude kunst in Gouda en tevens secretaris van de VNK, toonde de belangstellenden de veelzijdige collectie van het museum.
Aansluitend vond de algemene ledenvergadering van de VNK plaats, waarvan u elders in dit blad een verslag vindt. Na de lunch verplaatsten de aanwezigen zich naar de nabijgelegen Agnietenkapel voor het middagprogramma dat geheel in het teken stond van de kunsthistoricus als freelancer.
Na een woord van welkom door VNK voorzitter Henk van Veen en door de moderator van de middag, Dr. Jenny Reynaerts, conservator 18e en 19e eeuwse schilderijen in het Rijksmuseum Amsterdam, was het woord aan de eerste spreker: Dr. Ella Reitsma, bekend kunsthistorica en een van de eerste Nederlandse freelancers binnen ons vakgebied. Zij studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Utrecht en werd in 1975 doctor in de letteren met het proefschrift Verschuivende betekenissen van zeventiende–eeuwse nederlandse genrevoorstelling. Ella Reitsma was ruim 25 jaar werkzaam als vast medewerker bij het weekblad Vrij Nederland en werd er later kunstredacteur. Nu is zij freelancer. Van 2006 tot 2008 bereidde zij als gastconservator bij Museum Het Rembrandthuis de tentoonstelling Maria Sibylla Merian & Dochters voor. Na Amsterdam reisde deze expositie naar het Getty Musem in Los Angeles, waar het tijdens de zomermaanden van dit jaar te bezichtigen was. Daarnaast heeft Ella Reitsma haar eigen marionetten- en objectentheater in Abbekerk waar voorstellingen en workshops worden gehouden en schrijft zij kinderboeken.
De lezing van Ella Reitsma was zeer bewogen, persoonlijk getint en vol humor. Het behelsde een gedetailleerd verslag van de stappen en ervaringen binnen haar eigen loopbaan en belangrijk advies voor de (beginnende) freelancer in het kunsthistorisch vakgebied. Er werd gewaarschuwd dat het beroep als freelancer veel verantwoordelijkheid en enthousiasme eist; je moet de wil hebben zelfstandig te zijn. Denk vooral niet dat het allemaal wel vanzelf goed komt en weet dat je altijd moet investeren voordat je enig resultaat boekt. Boven alles moet je van kunst houden en alles aannemen wat op je pad komt. Haal je neus voor niets op. Neem dus ook de rotklusjes aan, zelfs opdrachten die buiten het vakgebied vallen, zoals bijvoorbeeld het schrijven voor de kleine dorpsblaadjes. Van opdrachten komen opdrachten! Toch moet je niet bang zijn om voor jezelf op te komen en je kritisch op te stellen, vooral als het je honorarium betreft. Het is verstandig om nooit een uurloon te rekenen: reken je klus. Je kunt ook via een bureau werken die voor jou de freelance-tarieven rekent en je honoraria vaststelt. Via zo’n bureau wordt de kwaliteit van je werk aan je opdrachtgevers gegarandeerd en kun je makkelijk met hen communiceren en eenvoudig (nieuwe) contacten leggen. Voor succes moet je geluk hebben. Zie en grijp dat geluk! En vergeet je ‘beschermengelen’ niet. Dit zijn mensen om je heen waarvan je van alles kunt opsteken. Laat anderen je stimuleren. Je moet je beschermengelen her- en erkennen, van hen profiteren, het contact met hen bijhouden en zeggen: 'Dank je wel'. Formeer ook eens een bond of clubje met je collega freelancers en kunsthistorici- maak afspraken en spreek met elkaar, je zal veel van elkaar leren.
Een praktisch advies is: leer alles zelf. Weet ALLES van de computer, er is geen excuus. Maak zelf je eigen website, zorg dat je opvalt, ook in je briefpapier en zelfs je e-mail. En maak vooral grapjes, het allemaal zwaar maken moet je nooit doen volgens Reitsma. Maar, erkent zij, dat is makkelijker gezegd dan gedaan.
De volgende spreker was het op veel punten eens met Ella Reitsma: pak als zelfstandige ook kleine opdrachten aan en zeg nooit dat je het te druk hebt. AAn het woord was Wilma van Hoeflaken: een expert op het gebied van zelfstandig ondernemerschap.
Wilma van Hoeflaken werkt sinds 1993 als freelance journalist. De eerste jaren deed ze dat vanuit Azië, Amerika, Australië en ten slotte – vanaf een zeilboot – uit het Caribische gebied. Sinds 1997 woont ze weer in Nederland en schrijft vooral over belastingen, pensioenen, economie en politiek voor ondermeer het NRC Handelsblad en Binnenlands Bestuur. In 2001 schreef ze Het moederbedrijf, praktische tips voor thuiswerkende moeders en in 2005 Pensioenperikelen. Zij is co-auteur van het Handboek Freelancen, waarvan elke twee jaar een volledig herziene editie verschijnt. Onlangs verscheen haar boek Vrouwen en geld. Voor de Kamer van Koophandel verzorgt zij seminars voor freelancers.
Tijdens de Kunsthistorische Dag van de VNK presenteerde Wilma van Hoeflaken een soort snelcursus voor startende ondernemers, vol praktische tips, adviezen en enkele feiten. Zo vertelde ze dat in 2007 maar liefst 100.000 mensen voor zichzelf zijn begonnen. De al dan niet gunstige economische situatie speelt hierbij een belangrijke rol. Vooral in goede tijden zijn er veel starters. Echter, de ondernemer in hart en nieren trekt zich niets aan van economische ups en downs. Een groot deel van ondernemend Nederland bestaat uit vrouwen met (jonge) kinderen. Zij hebben veelal om praktische redenen gekozen voor het ondernemerschap.
Vervolgens ging Wilma van Hoeflaken in op een aantal zakelijke aspecten, te beginnen met de termen die worden gebruikt. Freelancer, ondernemer en z.z.p.-er zijn verschillende benamingen voor hetzelfde principe: alle werken voor eigen rekening en risico. Kunsthistorici noemen zich vaak freelancer. Bij sommige opdrachtgevers klinkt dit echter wat hobbyistisch in de oren. Tip: noem jezelf een zelfstandig ondernemer.
In de ogen van de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst ben je een ondernemer wanneer je bij één of beide als zodanig ingeschreven staat. Tot op heden mogen beoefenaren van een vrij beroep zich niet inschrijven in het Handelsregister, in 2009 wordt dit echter verplicht voor alle ondernemers. Voor een kunsthistoricus is het voor de beeldvorming goed om ingeschreven te zijn bij de Kamer van Koophandel: het komt professioneler over. Wanneer je je daar als ondernemer registreert, wordt dit direct aan de Belastingdienst doorgegeven. Wilma van Hoeflaken leek de twijfelaars een duwtje in de rug te willen geven wanneer ze vertelt dat de inschrijving op elk moment mogelijk is: “Jullie kunnen dus vandaag nog ondernemer worden!”.
Maar ook de verplichtingen en minder zonnige kanten van het ondernemerschap kamen aan bod. Op strenge toon wees ze ons erop dat ondernemers verplicht zijn een administratie bij te houden. Ook is het handig voor jezelf, voor een overzicht van inkomsten en uitgaven. Belangrijke tip: bewaar al je bonnetjes voor belastingaftrek! Wanneer je meer dan 1225 uur per jaar (omgerekend zo’n 25 uur per week) besteed aan je eigen bedrijf, heb je bovendien recht op allerlei extra’s die behoorlijk winstgevend kunnen zijn. Daarom moet een ondernemer bijhouden hoeveel uur waaraan werd besteed. Studie, overleg, reistijd, acquisitie en administratie tellen mee. De Belastingdienst kan hiernaar vragen, dus urenschrijven is essentieel. Voor zelfstandig werkende vrouwen is een speciale regeling voor het jaar waarin zij een kind verwachten en krijgen: enkele maanden worden in mindering gebracht. Ook hebben zij tijdens de zwangerschap recht op een minimale uitkering.
Als ondernemer krijg je van de Belastingdienst jaarlijks een voorlopige aanslag die je in termijnen moet betalen. Achteraf wordt bekeken of je nog bij moet betalen of dat je geld terugkrijgt. Sommige zelfstandigen houden dit zelf bij, maar veelal wordt een belastingkantoor of accountant ingeschakeld. Je kunt zelf bepalen in hoeverre je de administratie van je bedrijf uitbesteedt. Vervolgens gaat Wilma van Hoeflaken in op de VAR: de verklaring arbeidsrelatie. Deze wordt vaak op verzoek van een niet-particuliere opdrachtgever aangevraagd bij de Belastingdienst om te bewijzen dat er geen sprake is van een fictief dienstverband. De Belastingdienst bepaalt aan de hand van een aantal criteria of je recht hebt op de VAR. Zo spelen de hoeveelheid opdrachtgevers en het eigen risico een rol. Nu is de VAR één jaar geldig, dit wordt binnenkort verhoogd tot drie jaar.
Toen kwamen er enkele aspecten van het ondernemerschap ter sprake die betrekking hebben op het pensioen en verzekeringen. In tegenstelling tot mensen die in loondienst werken, bouwen ondernemers geen pensioen op en worden niet doorbetaald wanneer zij (langdurig) ziek zijn. Het is daarom essentieel om een financiële buffer op te bouwen, ook voor de welverdiende vakantie. Houdt hiermee rekening bij het vaststellen van je uurtarief, maar sluit ook bijvoorbeeld een arbeidsongeschiktheidsverzekering af. Nog maar één op de tien ondernemers heeft deze, het is een heikel punt, vooral ook omdat het een paar honderd euro per maand kost. Tip: vraag eerst bij verschillende aanbieders een offerte aan, omdat de tarieven behoorlijk uiteen lopen. Wanneer je in loondienst hebt gewerkt, is het vaak mogelijk om nog enkele jaren daarna via het pensioenfonds een pensioen op te bouwen.
Als afsluiting van haar uiterst leerzame lezing noemde Wilma van Hoeflaken enkele opmerkelijke verschillen tussen ondernemende mannen en hun vrouwelijke collega’s. Zo zouden vrouwen minder goed kunnen onderhandelen, waardoor ze vaak voor een lager uurtarief werken. Ook bescheidenheid speelt daarbij een rol. Mannelijke ondernemers zouden bovendien eerder personeel in dienst nemen. Motieven voor het starten van een eigen bedrijf zijn echter vrijwel hetzelfde voor mannen en vrouwen. Bovendien werken beide aanvankelijk vooral van huis uit.
Onmisbaar voor de ondernemer of degene die overweegt een eigen bedrijf te beginnen, is het Handboek Freelancen 2008/2009 of (zelfde boek maar andere titel) Handboek Zelfstandigen 2008/2009, geschreven door Tijs van den Boomen en Wilma van Hoeflaken. Verkrijgbaar bij de boekhandel en via internet. ISBN 9789057122620 en 9789057122668
Na de lezingen was het tijd voor een paneldiscussie onder leiding van Jenny Reynaerts. Panelleden gingen met elkaar en vooral ook met het publiek in discussie over kwesties als: 'Hoe kun je je als freelancer profileren?' 'Hoe ziet de ideale freelancer eruit?' 'Wat mag je van de opdrachtgever verwachten?' 'Freelancen, doe je dat uit nood of uit passie?'
Het panel werd gevormd door René Dessing, oprichter van Artifex en nu directeur van Heemst Advies; Koosje Hofman van De Nieuwe Collectie; Marius van Dam, die een eigen bureau voor kunsthistorisch onderzoek en advies heeft en Patricia van Ulzen, die een aanstelling als docent kunstgeschiedenis bij de faculteit Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit combineert met freelance opdrachten.
Na de theepauze werd de Karel van Manderprijs uitgereikt. Deze ging nu eens naar een tweetal: Justin Kroesen en Regnerus Steensma ontvingen de prijs voor hun publicatie The Interior of the Medieval Village Church. Jurylid Wendelien van Welie roemde het boek en las het juryrapport voor. 'De jury is van mening dat de komende generatie wetenschappers veelvuldig dit boek met zijn vernieuwend onderzoeksprofiel als beginpunt voor eigen onderzoek ter hand zal nemen, en de methodische aanpak ervan op waarde zal schatten.' De laureaten ontvingen een bedrag van € 1000,- en een trofee, ontworpen door Manita Kieft.
De Jan van Gelderprijs werd dit jaar niet uitgereikt omdat de jury van mening was dat geen van de ingezonden publicaties over het niveau beschikte dat men van een prijswinnaar mag verwachten. Hier vindt u de overwegingen van de jury zoals juryvoorzitter Mayken Jonkman deze tijdens de Kunsthistorische Dag verwoordde.
De rest van het programma was gewijd aan een onderwerp dat al vóór de Kunsthistorische Dag zelf veel stof had doen opwaaien: tarieven.
Voorafgaand aan het symposium had de VNK een mail naar haar leden gestuurd met het verzoek te reageren op een voorlopige tarievenlijst, opgesteld tijdens een bijeenkomst van freelancers eerder dit jaar. Daarbij werd de vraag opgeworpen of er behoefte zou zijn aan een vaste tarievenlijst, die freelance kunsthistorici als leidraad zouden kunnen gebruiken bij hun eigen onderhandelingen.
De reacties die de VNK ontving-en dat waren er boven verwachting veel- waren zeer uiteenlopend, zowel met betrekking tot de genoemde bedragen, als wat betreft het voorstel voor het al dan niet opstellen van een tarievenlijst. De verdeeldheid bleek opnieuw tijdens de discussie over de tarieven die volgde op een korte inleiding op het thema door Dr. Marguerite Tuijn, die zelf werkzaam is als freelance kunsthistoricus en verslag deed van haar eigen ervaringen en na een samenvatting van de reacties op de tarievenmail door VNK bestuurslid Mayken Jonkman.
'Is het zinvol om slecht- of niet betaalde opdrachten aan te nemen, omdat dat goed is voor de CV?' 'Waarom worden veel opdrachten binnen ons vakgebied eigenlijk zo slecht betaald?' 'Wat is een reëel tarief en hoe bereken je dat?' Hoewel de meningen over deze en andere kwesties sterk uiteen liepen, werd wel geconstateerd dat freelancende kunsthistorici over het algemeen nogal bescheiden zijn bij het vaststellen van hun tarieven en dat zij in veel gevallen moeite hebben met onderhandelen met de opdrachtgever. En we kunnen nog wel wat werken aan ons zelfbeeld, zo vond men.
Ook de rol die de VNK voor freelancers zou kunnen of moeten spelen kwam aan de orde; een aspect waar het bestuur zich de komende tijd verder over zal buigen.
Na een afsluitend woord van voorzitter Henk van Veen gingen de stoelen in de Agnietenkapel aan de kant voor de borrel. Wie wilde kon de discussie op informele wijze voortzetten of gewoon het glas heffen op een geslaagde dag.
Kunsthistorische Dag en Voorjaarsdag van de VNK
De VNK organiseert ieder jaar de Kunsthistorische Dag. Op deze dag staat een actueel thema centraal en worden bekende gastsprekers uitgenodigd. Tijdens deze dag worden de Karel van Mander- en Jan van Gelderprijs uitgereikt.
Daarnaast wordt er eens per jaar een Voorjaarsactiviteit georganiseerd. Op deze middag krijgen leden de gelegenheid elkaar te ontmoeten in een kunsthistorische context; tijdens een museumbezoek of lezing bijvoorbeeld. Ook wordt hier de jaarlijkse VNK-bibliografie gepresenteerd.
In 2004 werd bijvoorbeeld het symposium 'Boter bij de Vis' georganiseerd, bij de tentoonstelling Vis Vitalis in het Centraal Museum Utrecht, i.s.m. de Onderzoekschool Kunstgeschiedenis en het Centraal Museum. Hier werd de bibliografie 'Beeldende kunst en kunstnijverheid 1550-1700' gepresenteerd, samengesteld door Ruud Priem, met een inleiding door Peter Hecht.
In 2005 vond in het voorjaar het symposium 'Moderne Kunst in Lijsten' plaats, bij de tentoonstelling Leporello in het Stedelijk Museum Amsterdam (i.s.m. de Onderzoekschool Kunstgeschiedenis en het Stedelijk Museum Amsterdam). Tijdens deze middag werd de bibliografie 'Beeldende kunst en kunstnijverheid 1850-heden' gepresenteerd, samengesteld door Sophie van Steenderen en van een inleiding voorzien door Jan van Adrichem.
De Voorjaarsactiviteit 2006 vond plaats in het Museum Catharijneconvent in Utrecht. Niek Smit presenteerde hier de Architectuurbibliografie 2006.
De Kunsthistorische Dag 2006 werd gehouden op 18 november in het Centraal Museum te Utrecht.
De Voorjaarsactiviteit 2007 stond in het teken van de 18de eeuw en werd gehouden in het Rijksmuseum Twenthe te Enschede. De bibliografie over beeldende kunst en kunstnijverheid 1700-1850 werd gepresenteerd door samensteller Mariël Ellens.
In november 2007 was de VNK voor de Kunsthistorische Dag 2007 te gast in het NAi in Rotterdam. Deze dag stond de architectuur centraal. Tevens werden de Jan van Gelderprijs en de Karel van Manderprijs uitgereikt aan respectievelijk Anouk Janssen en Jeroen Goudeau.
De Voorjaarsdag 2008 werd georganiseerd in de Bibliotheek Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Hier werd de bibliografie Middeleeuwse kunst en kunstnijverheid gepresenteerd. Samensteller was Hille Engelsma.