V

Vereniging van
N

Nederlandse
K

Kunsthistorici


Overig

De Gijselaar-Hintzenfonds prijs 2011


11 november 2011

De Gijselaar- Hintzenfonds Prijs werd dit jaar voor het eerst uitgereikt, tijdens de Kunsthistorische Dag van de VNK in het Teylers Museum te Haarlem

De Stichting De Gijselaar-Hintzenfonds dankt zijn naam aan twee bemiddelde vrouwen, Theodora Clementine de Gijselaar en dr Johanna Dorina Hintzen – de laatste promoveerde in 1918 bij Johan Huizinga. In 1935 riepen zij samen een stichting in het leven, ‘ten doel hebbende de bevordering der volksontwikkeling door het beschikbaar stellen van lichtbeelden, foto’s en alhetgeen de fotografische techniek haar verder mogelijk zal maken, een en ander in de ruimsten zin des woords’. Deze doelstelling is enige malen aan de tijd aangepast, maar de volksontwikkeling bleef tot en met de statutenwijziging van 1963.

Het huidige bestuur van deze Stichting heeft in 2010 besloten een naar de dames genoemde prijs in het leven te roepen, die tweejaarlijks uitgereikt zal worden aan iemand, die een of meerdere publicaties over beeldende kunst heeft geschreven voor een breder publiek – een modernere benaming voor ‘volksontwikkeling’, ooit opvoedkundig bedoeld, en nu door iedereen als stimulans ervaren.

Het is de eerste keer dat deze prijs wordt uitgereikt, en daarom moest de jury een wel heel groot terrein trachten te overzien. Er was geen specifieke periode te bestrijken zoals moderne of oude beeldende kunst, geen specifiek medium zoals kranten, tijdschriften, film, televisie of websites, en geen specifiek soort openbare collecties zoals musea, oudheidkamers of platenverzamelingen – alleen de volksontwikkeling stond haar voor ogen als essentieel criterium. Tegelijkertijd had zij de handen vrij de prijs een richting te geven, die voor de toekomst waardevol zou kunnen zijn.

De jury bestond uit het voltallige bestuur van de Stichting: Claudine Chavannes-Mazel (voorzitter, Universiteit van Amsterdam), Antoinette Visser (secretaris, Haags Historisch Museum), Ewout Blaauw (penningmeester), en de leden Pieter de Dreu (Rembrandthuis Amsterdam) Eva Geudeker (Rijksbureau Kunsthistorische Documentatie), Annemiek Overbeek (Kunstschrift), Epco Runia (Mauritshuis), en Jan Willem Schrofer (Rijksakademie). Unaniem kwamen zij tot het volgende oordeel:

De Stichting De Gijselaar Hintzenfonds reikt de naar haar genoemde prijs uit aan Eddy de Jongh wegens zijn levenslange en grote verdienste op het gebied van het toegankelijk maken van kunsthistorische kennis voor een breed publiek, door middel van zijn trefzekere pen.

Jury rapport: Wie de biografie en de lange lijst van publicaties van Eddy de Jongh (1931) beziet, herkent een patroon in zijn oeuvre dat zijn persoon weerspiegelt: veelzijdig, bescheiden en gedreven. Dat hoeft men niet allemaal tegelijkertijd te zijn om voor een De Gijselaar-Hintzenfondsprijs in aanmerking te komen, maar het is opvallend hoe hoogst wetenschappelijke catalogi, Festschriften, artikelen in Simiolus of Het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek tuimelen over een niet aflatende stroom van stukken voor Openbaar Kunstbezit, Kunstschrift, Vrij Nederland, of het Cultureel Supplement van NRC-Handelsblad. Een zo groot veld van lezers overzien en bedienen is weinigen gegeven. De verschillende kanten blijken uit het feit, dat De Jongh een van de oprichters van Simiolus was in 1976, ook wel eens het tijdschrift van de Utrechts kunsthistorische maffia genoemd, maar van een hoog geleerd gehalte, terwijl hij vanaf 1990 eveneens redacteur was van Kunstschrift, met een lezerspubliek dat gedeeltelijk voortkwam uit Openbaar Kunstbezit. Bij Kunstschrift voelt hij zich blijkbaar thuis, want hij is nog steeds redacteur. Zelf stelt de laureaat dat hij nooit een specifiek publiek voor ogen heeft gehad. Hij volgt daarin Ernst Gombrich, die zijn Story of Art in dertig talen vertaald zag en een miljoenenpubliek kreeg, en in de inleiding schreef: ‘I never believed that books for young people should differ from books for adults,’. Dichter bij huis is het Gerrit Komrij, die vaak genoeg stelde dat je niet kunt spreken van ‘een groot publiek’, omdat dat niet een aanspreekbare massa is.De Jongh leert elke lezer kijken, terwijl deze moet lezen en kijken op hetzelfde moment. Hij is een meester is het ontrafelen van zeventiende-eeuwse voorstellingen, die iets anders betekenen dan zij op het eerste oog suggereren. Op dit gebied, de iconologie, kreeg hij het internationaal aan de stok met Svetlana Alpers, de Amerikaanse kunsthistorica die juist vond dat er werd voorgesteld wat er voorgesteld werd omdat men dat toen blijkbaar graag schilderde. Ook discussieerde hij in Museumjournaal met voorstanders van de moderne kunst voor wie het onderwerp van een kunstwerk triviaal zou zijn. De Jongh heeft het in zijn vele stukken in Kunstschrift duidelijk gemaakt voor iedereen: waarom Amor een honingdief is (1998), of plast (2006), waarom de reliekhouder van Thekla een heilig leeg hoofd is (2000), waarom de conceptie van Jezus via het oor van Maria verliep (2007), waarom fantasieën over de maan eeuwenoud en hardnekkig zijn (2008), of welke prentjes leerzaam zijn voor de jeugd (2009). Ook het werk van de populaire Peter Vos heeft zijn warme belangstelling. Zoveel onderwerpen toegankelijk maken voor zoveel mensen: wat hadden de dames De Gijselaar en Hintzen zich graag bij De Jonghs publiek aangesloten.

Typerend is wellicht, dat Eddy de Jongh in zijn curriculum vitae niet vermeldt dat hij ooit de Karel van Manderprijs ontving, en ook niet dat het maandblad Kunstschrift tijdens zijn redacteurschap in 2000 de Prins Bernard Cultuurfonds prijs kreeg – blijkbaar maalt hij daar niet om. De De Gijselaar-Hintzenfonds Prijs, die hij nu ontvangt, is voor zijn grote, persoonlijke bijdrage aan de volksopvoeding van Nederland, en ik hoop dat hij daar trots op is.

Namens de jury,

Claudine Chavannes-Mazel, voorzitter